Graaf Hugo van Duinrell sloopte zelf zijn kinderkamer

Tot 1962 was Duinrell een rustiek landgoed met een eenvoudige camping en op gezette tijden een toevloed van wandelaars. Toen kocht Hugo R.J. graaf van Zuylen van Nijevelt Duinrell van zijn moeder en maakte er een pretpark om het landgoed in de familie te houden.

Met een omzet van 45 miljoen gulden per jaar en bijna 15 miljoen aan investeringen in 1996 is Duinrell uitgegroeid tot het grootste attractiepark van Nederland op De Efteling na. “Onder de oude adel waren wel vrienden van mijn moeder die vonden dat ik het landgoed verrabbezakt heb, maar zelf zie ik dit als mijn levenswerk en ik ben trots op het bereikte.”

“De mensen worden steeds verwender en kieskeuriger.” Hugo R.J. graaf van Zuylen van Nijevelt, directeur van het Wassenaarse attractiepark Duinrell, kijkt bezorgd door zijn kantoorraam dat uitziet op de ingang. De ochtend is al halverwege en de zon wil nog maar niet doorbreken. Hoeveel bezoekers à 25 gulden per persoon de entree sinds het openingsuur zijn gepasseerd kan hij niet nagaan, want er zijn problemen met het hagelnieuwe computersysteem. Doorgaans kan hij met één druk op de knop ieder halfuur via het scherm opvragen wat de stand is, hoeveel parkbezoekers, kampeerders en huisjeshuurders zich op het terrein van een miljoen vierkante meter bevinden en hoe groot de druk is op attracties als de Water Spin en het Tikibad.

Onder het toeziend oog van geschilderde voorvaderen aan de muur van zijn werkkamer zegt hij: “Zo'n attractiepark annex mammoetcamping drijven is een enorme logistieke operatie, maar ik heb mij dit zelf op de hals gehaald omdat ik zonodig inkomsten moest verwerven. Al sinds begin zestiende eeuw is het landgoed Duinrell door overerving via de vrouwelijke lijn in de familie gebleven en dat wilde ik graag zo houden.”

Die poging is geslaagd (vorig jaar trok Duinrell ruim 1,2 miljoen bezoekers die zo'n 45 miljoen gulden aan omzet binnenbrachten), maar het oorspronkelijke landgoed is grondig veranderd. Het familiekasteel staat er sinds jaren niet meer. “Ik heb zelfs mijn eigen kinderkamer gesloopt en woon nu op een verbouwde boerderij aan de rand van het park”, zegt de graaf, bedaard achterover leunend in zijn herenfauteuil, met twee jachthondjes aan zijn voeten. Het koetshuis dient thans onder de naam Duinhostel als een soort jeugdherberg; de koetsierswoning fungeert als directiekantoor en waar ooit de rust heerste van een wandelpark klinkt nu gejoel, geraas en geplons van dagjesmensen.

Bij de Splash stort om de zoveel minuten een boot met passagiers langs een steile waterhelling naar beneden, om daar met een smak in een waterbassin terecht te komen en een gordijn van water te verplaatsen. Bij de Water Spin, een hydraulische schommel met veertig zitplaatsen, gaan de inzittenden als ik het wel geteld heb vijftien keer over de kop, enkele malen tollend en enkele malen tergend langzaam. Als je er vanaf de grond tegenaan kijkt, is het al om misselijk van te worden, maar rijen wachtenden staan te popelen. Borden waarschuwen dat deze attractie niet geschikt is voor mensen met afwijkingen aan de wervelkolom, hart- en vaatziekten en zwangere vrouwen. Spectaculair is ook het Tikibad, 'Europa's grootste overdekte waterpark' met 'spetterende mogelijkheden voor waterpret'. Gewoon zwemmen of baantjes trekken is er nauwelijks mogelijk. Wel is er een golfslag- en draaikolkbad, een 15 meter hoog buizenstelsel van waterglijbanen met Space Bowls (gigantische trechters waarin men rondtolt), een Fly Over (waarin de badgast in een met water gevulde buis wordt gezogen om na ongeveer 11 seconden in een ander bad te worden uitgespuugd) en de Canon Ball die de zwemmer een eindje in de lucht boven het water laat zweven. Voor wie het wat kalmer aan wil doen, zijn er een Lazy River, hot-whirlpools, sauna ' s, een Turks stoombad, zonnebanken en een Tikibar.

Sinds 1984 investeerde de graaf ruim 20 miljoen gulden alleen al in dit watercomplex. In andere delen van Duinrell bevinden zich investeringen ter waarde van ruim vijftig miljoen, waaronder de waterglijbaan Aqua Shute, de zweefmolen Aqua Swing (waarbij men boven opspuitend water zweeft), de Kikker-8-baan, de Niagara Superroetsj, de Bumperfrogs en de Nautic jets, attracties die stuk voor stuk iets met water van doen hebben. Het motto van het park is 'Een dagje Duinrell, daar kikker je van op'.

De naam Duinrell heeft het park te danken aan een bron (rell) en een beekje dat vroeger aan de voet van de duinen liep. Nog altijd is het een belangrijk waterwingebied voor de Randstad.

Voor de kleintjes biedt Duinrell het Wonderland met speeltuin. In een Zomertheater staat op vele uren per dag de zanggroep Up with people op de planken en voor de educatie is er een expositie van het achttien meter lange skelet van een dinosaurus. Wie honger of dorst heeft kan terecht bij horecagelegenheden als de Kikkertuin, de Snackkikker, de Koffiekikker, pannenkoekenrestaurant De Schaapskooi en Pizzeria Italia. Voorvaderen met familienamen als De Jonge van Ellemeet, Van Boetzelaer en Van Pallandt zullen nooit vermoed hebben dat hun landgoed anno 1996 óók nog eens ruimte zou bieden aan een mammoetcamping, een bungalowpark, een supermarkt, midgetgolfbaan, mini-bowlingbaan, trimbaan, rodelbaan en een kunstskibaan. Vanaf een uitkijktoren, op het hoogste punt van Noord- en Zuid-Holland, is te zien wat de jaarlijks toenemende behoefte aan volksvermaak in dit natuurgebied nabij de zee en de duinen heeft aangericht.

Graaf van Zuylen van Nijevelt is zelf de laatste die er wakker van ligt: “Natuurlijk zijn er mensen die een pretpark iets ordinairs vinden, iets volks. Ook onder de oude adel waren er wel vrienden van mijn moeder die vonden dat ik het landgoed verrabbezakt heb, maar zelf zie ik dit als mijn levenswerk en ik ben trots op het bereikte. Zo'n vijftig hectare bos en duin zijn nog ongerept en is nog beter onderhouden dan vroeger. De oude tijden, waarin alleen de adel zelf plezier van hun bezittingen had, zijn voorbij. Wij zijn wel gedwongen onze eigendommen met anderen te delen, en dat doe ik met veel plezier.”

De vader van de graaf zette de ontwikkelingen in 1935 in gang door tegen betaling van tien cent entree een deel van zijn landgoed als wandelpark open te stellen omdat zulks een aanzienlijke belastingbesparing opleverde. Het door de economische crisisjaren geslonken familievermogen en de inkomsten uit een betaalde baan als ceremoniemeester van koningin Wilhelmina waren ontoereikend om een huis vol personeel te betalen en het landgoed te onderhouden. Een huisknecht bemande tijdens de openingsuren de poort, wakend in een groen hokje waarin hij tussen het kaartjes scheuren door het familiezilver poetste. Een schaapskooi werd omgebouwd tot restaurant en in de Orangerie kwam een theetuin met drank- en tabakvergunning. Lachend vertelt de huidige heer van Duinrell dat zijn vader de beste klant was, “want hij lustte een aardige borrel en rookte als een schoorsteen.” Voor kinderen kwam er een speeltuintje met wippen en schommels.

Het eerste wezensvreemde element op Duinrell was een enkele jaren voor de oorlog aangelegde kunstskibaan in de duinen, bedekt met dennennaalden. “Mijn vader ging vaak naar de wintersport en kwam daar op het idee dat er in Nederland een oefenvoorziening moest komen. Nu groeiden er op ons landgoed dennenbomen van de soort Pinus maritima, met hele lange naalden, en het was mijn vader al eens opgevallen dat je daar met leren zolen makkelijk over uitgleed. Later, toen we door het telkens verlengde traject van skipistes en langlaufloipes niet meer genoeg naalden op eigen terrein konden verzamelen, zijn we deels overgegaan op piassave, waar ook stalbezems en gootsteenborstels van worden gemaakt.”

De jonggestorven graaf was, net als zijn zoon, een onorthodox man, gebiologeerd door snelheid en sensatie. Vandaar dat hij zijn duinen, lanen en wandelpaden eind jaren dertig ook openstelde voor motorcrosses. “Nog ruik ik de Castrol-olie”, zegt de jonge graaf (inmiddels ook alweer 66), “nog zie ik de soms zestigduizend bezoekers voor me. Een machtig gezicht en een machtige sport. Ik ben nog winnaar geweest van de Tulpenrallye 1953 en ik rijd nog steeds een BMW-motorfiets.”

In de meidagen van 1940 kwam de oude graaf om het leven, tijdens de oorlogsjaren hielden de Duitsers grondig huis op het landgoed en na de bevrijding had de gravin (een geboren Van Pallandt) niet de puf en de moed om het landgoed zakelijk te exploiteren. Nieuwe investeringen zag zij als geldverspilling. De enige vernieuwing was dat zij vanaf eind jaren vijftig op een deel van het landgoed een camping met vaste staanplaatsen liet inrichten. Tot 1962 bleef Duinrell een rustiek landgoed met op gezette uren een toevloed van wandelaars, die echter - bij stijgende uitgaven - nauwelijks inkomsten brachten.

Even overwoog de gravin in te gaan op het aanbod van Reinder Zwolsman haar landgoed over te doen aan zijn Exploitatie Maatschappij Scheveningen, echter niet in ruil voor klinkende munt, maar voor aandelen EMS. Haar zoon Hugo, in de jaren daarvoor in alle delen van de wereld door de wol geverfd als zakenman in dienst van de Deli-maatschappij (tabak, rubber, andere grondstoffen en scheepvaartzaken), wilde een aandelenruil met Zwolsman en daarmee het opgeven van het familiebezit 'tegen elke prijs' voorkomen en zegde daarom zijn baan op om van Duinrell te maken wat het nu is. Informeel gekleed in lichte pantalon, bordeauxrode polo en choker zegt hij: “Waren we met Zwolsman in zee gegaan, dan hadden we ons bezit weggedaan voor aandelen in een onderneming van luchtkastelen. In plaats daarvan verkocht moeder Duinrell aan mij, voor hetzelfde bedrag als Zwolsman had geboden, tegen een vriendelijke rente en met een soepele afbetalingsregeling, en dat is de redding van Duinrell geweest.”

Met het oog op het toenemende toerisme besloot de nieuwe heer van Duinrell de camping fors uit te breiden en ook werk te gaan maken van de ontwikkeling tot attractiepark. In het gezelschap van een bevriende bankier van Pierson liep hij in die pioniersfase over het terrein, dromend van 100.000 gulden jaarinkomsten. Een landschapsarchitect en Staatsbosbeheer namen de transformatie van Duinrell ter hand. Met voortvarendheid werd de verblijfsaccommodatie aangepakt. Thans liggen rondom het park een standaardcamping met duizenden staanplaatsen en een 'comfortcamping' (met 500 plekken van minimaal 80 m2, voorzien van elektriciteit, stromend water en kabel-tv-aansluiting). Ook zijn er ruim tweehonderd 'Duingalows' te huur, in rijtjes gebouwde luxe wooneenheden met in totaal 1.000 bedden. Met kamperen heeft het weinig meer te maken, maar het loopt storm. De laatste liefhebbers van 'ruig kamperen' kunnen terecht op een natuurcamping in de duinen.

Om de campinggasten en dagjesmensen bezig te houden liet graaf Hugo ook het attractiepark uitgroeien, rond het centrale thema water. “Water is nu eenmaal leuk om mee te spelen, en daarmee kunnen we ons onderscheiden van andere parken”, zegt de directeur, die zelf voor geen goud zal plaatsnemen in de nieuwste attractie, de Water Spin. “Ik heb eerder altijd alles uitgeprobeerd, maar ik heb hoogtevrees en misschien word ik een tikje te oud. Daarom is het maar goed dat mijn zonen Philip en Roderick na een eerdere bankcarrière de leiding van mij aan het overnemen zijn.” De zonen houden zich bezig met de dagelijkse gang van zaken op Duinrell; vaders tijd gaat vooral zitten in een 'papierwinkel' van vergunningen en het voeren van 'overleg' - van strijd met omwonenden, natuurorganisaties en overheden. Om de handen voor het management van de kernactiviteiten vrij te houden zijn horecagelegenheden, souvenirwinkels en de exploitatie van een speelautomatenhal verpacht. De bezoekersaantallen stijgen niet noemenswaardig. “Het is al een hele kunst om op het niveau van vorige jaren te blijven.” Een verdere uitbreiding van de inkomsten zoekt de graaf vooral in verlenging van het seizoen door in de wintermaanden verwarmde bungalows te verhuren, het Tikibad en de kunstskibaan met 18.000 vierkante meter pistes en langlaufloipes te blijven exploiteren en meer werk te maken van de markt voor feesten en partijen, ook in de zakelijke wereld. Bedrijfstrainingen, seminars, trainingskampen - er wordt hard aan gewerkt.

Van de totale jaaromzet (bijna 45 miljoen gulden) maakt de graaf geen geheim: “Waarom zouden we moeilijk doen over onze kerncijfers? Het zijn geen cijfers om je voor te schamen en bovendien kan iedereen ze opvragen bij de Kamer van Koophandel. Na De Efteling zijn wij het grootste attractiepark van Nederland.” Wel wil de directeur niet onvermeld laten dat hij jaarlijks ruim vier miljoen gulden kwijt is aan allerlei vormen van belastingen en milieuheffingen, dat hij nog veel meer miljoenen betaalt aan 80 man vast personeel en honderden losse werkkrachten, en dat zijn jaarlijkse investeringen de afgelopen jaren zijn opgelopen van vier miljoen gulden tot bijna vijftien miljoen over 1996.

“Zonder nieuwe, telkens opgevoerde investeringen red je het niet”, zegt de graaf, die in de internationale wereld van pretparken een geziene figuur is en een nevenfunctie heeft als lid van de Board of Directors van de International Association of Amusement Parks and Attractions. “Het publiek wordt steeds verwender en kieskeuriger, maar gelukkig is men ook bereid om steeds meer geld uit te geven. Ik sta weleens verbijsterd over het bestedingspatroon van de mensen. Zelf vind ik het nog steeds heel wat om kinderen op een ijsje te tracteren, daar maak ik een hele ceremonie van. Bij mijn eigen publiek is het kopen van een ijsje al het minste. Het eet en drinkt de hele dag. Misschien komt het door mijn opvoeding, maar ik ben zelf veel zuiniger. Zelfs buiten de deur eten vind ik tot verdriet van mijn vrouw zonde van het geld. Thuis is het gezelliger en kost mij de wijn uit eigen kelder slechts een fractie van wat ik er in een restaurant voor betaal. Ik zal ook nooit een paperclip weggooien en zou er niet over peinzen mijn kinderen 25 gulden te geven om in een automatenhal te verspelen.”