Gezelligheid is het woord

Ook al lijkt het dat we zelf kiezen, anderen bepalen veelal wat wij mooi en lekker zullen vinden. Wie zijn het die onze smaak beïnvloeden en wat vinden zij zelf de moeite waard? Deze week in de serie smaakmakers: Jan des Bouvrie, die vindt dat wonen niks met meubelen te maken heeft.

“Onsmaakvol bestaat helemaal niet”, zegt Jan des Bouvrie. “Als mensen zich prettig voelen in een huis waar het een zooitje is, dan is het goed. Heel goed zelfs. Waar het om gaat is dat het klopt. Je had de televisieserie All in the family. Een vreselijk interieur, maar het klopte fantastisch. De stoel waar die man in zat, dat was zo duizend procent de stoel die bij die man paste. En de keuken waar die vrouw altijd in stond te gillen, dat was helemaal haar keuken. Dat vind ik knap. Daar kan ik van genieten.”

Jan des Bouvrie (54), binnenhuisarchitect en bekende Nederlander, is geprezen en verguisd. Geprezen door het publiek dat zijn bankjes koopt als waren het warme broodjes. Verguisd door critici en een deel van zijn collega's die hem een gebrek aan originele gedachten ('Jan des Copie') verwijten. Maar Des Bouvrie heeft niet de pretentie een groot kunstenaar te zijn. Hij maakt de meubels die de mensen willen: “Ik vind dat je moet luisteren naar wat het publiek vraagt. Dat komt misschien omdat ik de zoon van twee middenstanders ben. Stel je gaat naar de bakker, zegt dat je een bruin brood wilt en hij antwoordt: 'We hebben vandaag alleen wit brood, want dat is veel lekkerder'. Dat is toch vreemd? Als ik altijd m'n eigen smaak had gevolgd dan waren mijn meubels misschien niet zo bekend geworden. Neem de beroemde slagerstafel. Die heb ik helemaal niet ontworpen, die is in een gesprek ontstaan. Martin Veltman, de schrijver/dichter zei tegen me dat hij in zijn keuken een tafel wilde hebben, een soort slagersblok met een dik blad. Die heb ik toen gemaakt van massief essen.”

In zijn zaak in Naarden - een oude legeropslagplaats uit 1688 waar Des Bouvrie drie jaar geleden zijn intrek nam - staat alles door elkaar: ontwerpen van hemzelf, van anderen, antiek. “Vijf jaar geleden dacht ik nog 'antiek dat is van m'n oma geweest'. Maar daar ben ik van teruggekomen. Mensen hebben altijd wel een of twee prachtige antieke dingen. Zo'n oude leren crapaud bijvoorbeeld, waar onze vaders, onze opa's in hebben gezeten. Die kun je gewoon versleten in de hoek zetten met een bank van mij ernaast.”

Er is één woord dat telkens terugkeert als Des Bouvrie spreekt over interieurs: 'gezelligheid'. “Dat is toch het woord, ja. Ik heb nu dat televisieprogramma TV-Woonmagazine waarin we in een dag iemands huis opnieuw inrichten en iedereen waar we komen, iedere Nederlander zegt het: 'als het maar gezellig is'. Daarmee geven mensen aan dat ze wel modern willen, maar bang zijn dat modern koud en koel is. Het is m'n grootste strijd om dat te doorbreken, de angst dat modern niet gezellig kan zijn.”

De keuken in de woonkamer en een hele grote tafel waar iedereen aan kan zitten, dat vindt Des Bouvrie ideaal. De tv moet ergens anders 'in een klein hokje'. Hoewel Des Bouvrie veel aan het medium te danken heeft, erkent hij de schadelijke effecten ervan: “De tv maakt gewoon de hele communicatie in gezinnen stuk. Iedereen kijkt naar de buis, waardoor alles verder geblokkeerd is. Ik weet nog hoe gezellig het vroeger thuis was. Eén keer in de week, op zondagochtend luisterden we naar een toneelstuk op de radio. De rest van de tijd hadden we een ontzettend leuk familieleven - m'n vader speelde bijvoorbeeld piano. Daar heb ik leren wonen. Wonen heeft niks met meubelen te maken. Hoe je met elkaar omgaat, daar gaat het om.”

De werkkamer van Des Bouvrie in de winkel in Naarden oogt niet spectaculair. Zijn eerste bankje dat hij in 1969 voor de firma Gelderland ontwierp, staat tegenover een namaak-openhaard (“een echte is verboden in een openbaar gebouw”). Alleen een groot, kleurrijk schilderij van Jan Cremer trekt direct de aandacht. “Kunst vind ik heel belangrijk, ja”, zegt Des Bouvrie. “Ik hou vooral van avant-gardistische Amerikaanse kunst. Kunstenaars zetten de tijd waarin je leeft op papier. Daarom vind ik die kunstuitleen zo'n fantastische organisatie, omdat die je op een eenvoudige en betaalbare manier leert omgaan met kunst. Vroeger moest je naar een galerie. Daar zat dan een vrouw die niet wist wat er hing en je niet te woord stond, nou dan stond je al weer buiten.

“Trends? Daar let ik vreselijk op. Vooral op modetrends. Pas nadat ik in 1969 begonnen was, keek ik heel erg naar Mantana, een man die pakken maakte met brede schouders. Daar had ik wat mee. Ik maakte banken met brede armleuningen. Die zitten om je heen, geven je kracht. Gaultier vind ik absoluut de beste op modegebied. Donna Karan is ook ongelofelijk. Ik reis veel, kijk veel modebladen in. En ik ga ook naar shows toe, meer nog dan naar meubelbeurzen.”

Kunst, mode, muziek (“Ik heb m'n examen van de Rietveld Academie gehaald op Ella Fitzgerald en Louis Armstrong”) en wonen. “Die disciplines hebben voor mij indirect met elkaar te maken”, zegt Des Bouvrie. “Neem die Italiaanse zanger Andrea Bocelli, die laatst een hit had. Die man heeft een mix gemaakt tussen modern en klassiek, tussen Pavarotti en pop. Hij is er gewoon tussenin gaan zitten. Dat bedoel ik.

“En die acht roeiers die goud hebben gehaald in Atlanta, daar krijg ik ook ademnood van. Wat dat met meubelen te maken heeft? Het heeft met het leven te maken te maken en dat schakelt bij mij gewoon allemaal in elkaar over. Ik reed vroeger paard en dan gingen we na afloop klaverjassen in een bruin cafe. Kreeg ik meer inspiratie dan in het Stedelijk Museum.

“In mijn werkkamer thuis hangt een schilderij van Hans van der Hoek, Jan in a white shirt heet het. Karel Appel kwam een keer bij me op bezoek en zei: 'Wat is dat. Die man kan schilderen!' Het ding hangt al vijftien jaar in mijn werkkamer. Ik kijk er iedere dag naar.

“We zijn een klein land dat internationaal toch heel erg goed bezig is op gebied van de schilderkunst en meubelen. Als je ziet wat er hier allemaal vandaan komt: Van Gogh, Mondriaan, Rietveld. We zitten altijd bij de absolute top. En dat is niet omdat het zo mooi is, want Mondriaan is helemaal niet mooi. En Rietveld z'n meubelen daar kun je niet op zitten. Dat was gewoon een slechte meubelmaker. Maar daar ging het bij hem ook helemaal niet om.”

De verklaring voor het succes van Des Bouvrie is volgens hemzelf het feit dat hij niet alleen ontwerpt, maar ook een meubelzaak heeft waar hij dagelijks in te vinden is. “Ik doe hier constant marktonderzoek. Mensen kunnen tegen me zeggen die bank is te hoog, te diep, of te laag. Ik praat zoveel met mensen: over hun kinderkamer, hun slaapkamer, hun vrouw, hun werk, alles komt hier op tafel.”

Zijn sterkste punt, zegt Des Bouvrie, is zijn gevoel voor ruimte. “Ik weet in een slaapkamer waar het bed moet staan. Als mensen hem ergens anders neerzetten dan kunnen ze er echt niet op slapen. Ik merk, naarmate ik ouder wordt, dat ik steeds meer met de ruimte bezig ben. Daar ben ik heel goed in. Dat je geen deur in je nek hebt. Dat alles op de juiste plek staat. En wat ze er dan inzetten zal me worst wezen. Dat meen ik echt. Ik woon er toch niet in?”