Gelovig (2)

Als Fred Mullers conclusie (W & O, 1 aug.'96) aangaande de dood van God op vakidiotie berust in plaats van op evidentie, dan riskeert hij schuldig te zijn aan godslastering. Hij doet alsof de leer van de op zichzelf rustende natuur het definitief gewonnen heeft, ondanks het aloude bezwaar dat deze de determinant met het gedetermineerde verwart.

Bij transcendentie gaat het ook niet om een hoger niveau waar God 'zich ophoudt', maar erom dat de oergrond van de wereld Subject is. Nu hebben natuurkundigen alleen aandacht voor het energiekarakter van de realiteit zonder er oog voor te hebben dat het geestelijke tot niets anders herleidbaar is dan het geestelijke, reden waarom wij, theïsten, er niet onderuit komen aan te nemen, dat de oergrond geestelijke Substantie moet zijn. Dat dit geestelijke helder bewustzijn is en dit niet pas met de evolutie ontstaat, valt voor ons te concluderen uit het feit, dat op het niveau van de oergrond dit principe geen beperking kan hebben. Een van ons moet zich vergissen. De implicaties van deze alternatieven zijn zodanig van belang, dat zich vergissen hier niet alleen menselijk, maar tegelijkertijd des duivels genoemd moet worden.