Geef Suriname een Assemblee

Voor de zoveelste maal werd Paramaribo opgeschrikt door brand. Dit keer het gebouw van de Surinaamse Nationale Assemblee, ooit het gebouw van de Westindische Compagnie, later van de Koloniale Raad en tot de onafhankelijkheid de zetel van de Staten van Suriname.

De brandweer kon weinig uitrichten en het gebouw is totaal verloren gegaan. In dit houten monument sprak ik de vorige maand met de voorzitter van de Nationale Assemblee, de tachtigjarige advocaat Jaggernath Lachmon, die al bijna vijftig jaar deel uitmaakt van de volksvertegenwoordiging van Suriname. Volgens Desi Bouterse, met wie ik daarna ook een afspraak had, maar die werd afgezegd omdat hij op zondagmiddag toch liever naar de voetbalfinale Duitsland-Tsjechië keek, was dat nu lang genoeg geweest. Kranten berichtten eerder dat volgens Bouterse Lachmon na zoveel jaren maar weer tomaten moest gaan telen.

Wij bezochten deze oude, maar levendige heer op 'De dag van de architectuur' ter gelegenheid van een door de Unie van Surinaamse Architecten samen met de Rijksdienst Monumentenzorg en de Bond van Nederlandse Architecten georganiseerd congres.

Het belangrijkste onderwerp van het congres was de vraag naar de toekomst van Paramaribo als historisch erfgoed. Ofschoon deze tropische witgeschilderde houten stad met koningspalmen en mahoniebomen langs de straten, vele malen door vuur werd bedreigd ziet zij er nog steeds prachtig, maar verwaarloosd uit. Net zoals voor het Curaçaose Willemstad worden op dit moment pogingen ondernomen Paramaribo te plaatsen op de World Heritage List van de Unesco. Een lijst die zo langzamerhand ook openstaat voor minder sublieme monumenten, monumenten van het meer alledaagse soort.

Lachmon zelf vond Paramaribo niet zo bijzonder meer, hij had deze stad wel anders gekend. Het oorspronkelijk houten stadsgezicht is na 1950 nogal versteend, vooral om branden als deze te voorkomen. Desondanks bestaat de kern langs de Waterkant en rond het Onafhankelijkheidsplein, met daarin het regeringscentrum, uit houten gebouwen uit de achttiende en de negentiende eeuw. Opvallend hierbij is de stijlvastheid.

Net buiten deze kern ligt het net geopende gebouw van de Nederlandse ambassade dat in deze historischmaatschappelijke context helaas een blunder moet worden genoemd. Het ontwerp van de Nederlandse architect (van Surinaamse afkomst) Lucien Lafour, een betegeld schip, staat pompeus naast de twee schooltjes in een zijstraatje zowat in de achtertuin van het afgebrande Assembleegebouw. Het gebouw epateert, staat op goedkope grond en lijkt betaald met uitgespaard ontwikkelingsgeld. Het had van elegante diplomatie getuigd als voor de nieuwe huisvesting van deze ambassade enkele vervallen, leegstaande monumenten waren aangekocht en gerestaureerd. Suriname is er ook nu weer niets wijzer van geworden. Nederland zou deze blunder kunnen compenseren door aan Suriname een nieuw gebouw van de Nationale Assemblee te schenken en ook de restauratie van het afgebrande monument te bekostigen. Aan het Onafhankelijkheidsplein ligt recht tegenover het Paleis van de President de meest logische plek voor de Assemblee. Het gerestaureerde gebouw van de Westindische Compagnie zou het ontvangstcentrum kunnen worden van de Nederlandse ambassade, te bereiken via de achtertuin. Dit ambassadegebouw, dat als Provinciehuis van het Groene Hart niet zou misstaan, spiegelt dezefde neo-koloniale mentaliteit die bijvoorbeeld NRC Handelsblad ertoe brengt de berichtgeving over Suriname op de binnenland-pagina te plaatsen.