Extract van St-Janskruid bestrijdt depressie veel beter dan nepmiddelen

Extracten van St-Janskruid (Hypericum perforatum) zijn in Duitsland geregistreerd als geneesmiddel tegen allerlei kwalen, onder andere milde depressie. In 1994 werd er voor 61 miljoen mark verhandeld en schreven artsen 66 miljoen dagdoses voor. In Nederland en Engeland zijn de extracten niet als geneesmiddel geregistreerd.

Laten de Duitsers zich iets aansmeren, of zijn de Engelsen en Nederlanders zo dom om een goed medicijn onbenut te laten?

Klaus Linde en zijn collega's van de Ludwig-Maximilians-Universität in München vindt dat de Duitsers gelijk hebben. St-Janskruidextracten werdken net zo goed tegen milde depressie als gangbare antidepressieve middelen. Het effect is 2,7 keer zo goed als nep-middelen. Dit blijkt uit een meta-analyse (een statistische bundeling) van 23 gerandomiseerde kleinere onderzoeken naar de werking van St-Janskruid (British Medical Journal, 3 aug). In 15 van die onderzoeken was hypericum tegen een nepmiddel (placebo) getest, in 8 onderzoeken was het kruid vergeleken met een gangbaar anti-depressivum.

Waar de onderzoekers aan het slot van hun artikel hun resultaten bespreken, geven ze aan dat hun uitkomst met onzekerheden is omgeven. Een meta-analyse, waarin kleinere onderzoeken van verschillende opzet, methodiek en kwaliteit worden gebundeld, levert nooit op dat een bepaalde dosering van een bepaald preparaat de beste uitkomst geeft. Over dosering en bereidingswijze valt dan ook weinig te zeggen.

Het tegen depressie actieve bestanddeel in St-Janskruid is hypericine dat in 1984 bij de registratie in Duitsland als een natuurlijke monoamine oxidase remmer (MAO-remmer) werd aangemerkt, zo schrijven de Nederlandse farmacoloog P. de Smet en psychiater W. Nolen in een commentaar in hetzelfde tijdschrift. In Nederland is moclobemide (Aurorix) de enig verkrijgbare MAO-A-remmer. De werking van hypericine als MAO-remmer is volgens De Smet en Nolen nooit verder onderzocht. St-Janskruidextracten worden meestal gestandaardiseerd op hypericinegehalte, maar er zitten nog meer actieve bestanddelen in.

De Smet en Nolen geven Linde gelijk waar hij pleit voor beter onderzoek, maar ze temperen het enthousiasme voor de kwaliteit van de onderzoeken dat Linde aan de dag legt. De onderzoeken duurden nooit langer dan zes weken, niet duidelijk was of de deelnemende patiënten voldeden aan de criteria voor depressie zoals die volgens de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) werd gesteld en niet duidelijk is hoe vaak patiënten weer terugvielen in hun neerslachtige stemmingen en of ze lange-termijn-bijwerkingen ondervonden. Wel is duidelijk dat hypericum op korte termijn minder vervelende bijwerkingen heeft dan de gangbare anti-depressiva, en daarom is serieus onderzoek gerechtvaardigd.

    • Wim Köhler