De CDA gezinspolitiek-cocktail

“Wie is er nu tegen het gezin”, vraagt Peter Cuyvers van de Nederlandse Gezinsraad zich af in het onlangs verschenen themanummer van het blad Christen Democratische Verkenningen van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Cuyvers geeft direct zelf het antwoord: “Niemand, maar dat is iets anders dan ervoor zijn, of er bepaalde rechten aan toekennen.”

Daarmee raakt hij de kern van het probleem dat het CDA voor zichzelf heeft geschapen door het familie- en gezinsbeleid tot politiek profileringspunt uit te roepen. Want als de tussenstand van de discussie in het CDA, zoals die in Christen Democratische Verkenningen wordt weergegeven één ding duidelijk maakt is het dat de partij zich weliswaar over een woord heeft ontfermd, maar voor het overige totaal niet weet wat men hier nu verder mee moet.

Gezinspolitiek, is dat een betere verdeling van betaalde arbeid en zorgtaken tussen mannen en vrouwen of is dat het pleidooi voor de “menselijke maat” als reactie op een steeds anoniemer wordende samenleving? Iemand als CDA-partijvoorzitter Helgers onderstreept vooral het laatste als hij het over gezinspolitiek heeft. Dan gaat het om, zoals hij in maart van dit jaar in Trouw schreef, de overheid die alles moet doen om sociale verbanden en sociale cohesie te bevorderen. Maar wanneer oud-voorzitter Jongma van het CDA-Vrouwenberaad zich over gezinspolitiek uitlaat, gaat het om “mogelijkheden om te voorkomen dat er een tweedeling in de maatschappij ontstaat tussen financieel sterke mannen en financieel zwakke vrouwen”, zo blijkt uit haar bijdrage in Christen Democratische Verkenningen.

Het is weliswaar geen tegenstelling, maar de totaal andere accenten die worden gelegd zijn toch veelzeggend. De gezinspolitiek is binnen het CDA uitgegroeid tot een containerbegrip waar eenieder naar hartelust het zijne of het hare uit kan putten. Zodoende is een cocktail ontstaan bestaande uit een scheut naoorlogs KVP-denken, een scheut vrouwenemancipatie en nogal wat oppositie-retoriek. Kortom, een nogal ondoorzichtig drankje.

Niet terug naar de jaren vijftig, daar is iedereen in het CDA het wel over eens. Maar wat dan wel? Hoe ziet de vorig jaar door CDA-fractievoorzitter Heerma aangekondigde “moderne gezinspolitiek” er nu in werkelijkheid uit? Er ligt nog niet zoveel tastbaars, maar eigenlijk is dat ook niet zo verwonderlijk. Als de abstractheden worden omgezet in concrete ideeën, blijkt de partij zwaar verdeeld. Een ander belastingstelsel dat kostwinners niet bevoordeelt, de opvattingen over het wettelijk recht op deeltijdarbeid, de kinderbijslag, de vraag wat er onder gezin moet worden verstaan; het zijn allemaal zaken waarover binnen de partij verschillende opvattingen bestaan, zo tonen de door CDA'ers geschreven bijdragen in Christen Democratische Verkenningen aan.

Op zichzelf is een diepgravend inhoudelijk debat heel verfrissend voor een grote politieke partij. Maar zo'n dispuut wordt ongemakkelijk als het gaat over een onderwerp dat de partij nu juist heeft bestempeld als hét kenmerkende verschil met de zittende regeringscoalitie. Niets is lastiger voor een partij dan onenigheid over het eigen grote alternatief.

Het probleem van het 'paarse' kabinet voor het CDA is dat het een beleid voert dat voor negentig procent door de christen-democraten kan worden onderschreven. Probeer dan maar eens geloofwaardig oppositie te voeren. Geheel conform de regels van de dialectiek heeft het CDA daarom de gezinspolitiek gesteld tegenover het 'grote-staddenken' van paars. De vraag is echter hoe reëel deze door het CDA geschapen tegenstelling is. Zo is de fel bekritiseerde 24-uurs-economie niet zozeer een uitvinding van 'paars'. Veel meer is het een (internationaal) gegeven waar de politiek met regelgeving - beter gezegd met het opheffen ervan - achteraan loopt. De markt dicteert snelheid en dynamiek, waarna de politiek volgt.

Het CDA doet hierbij niet onder voor de coalitiepartijen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het toekomstprogramma 'Nieuwe wegen, vaste waarden' waar de partijraad van het CDA zich dit voorjaar achter schaarde. Aan de ene kant wordt een “familie-, gezinsvriendelijk beleid” gevraagd. Onder het hoofdstuk dynamische economie wordt daarentegen gepleit voor “een minder stringente indeling en regeling van arbeid en ondernemen”. Maar hoe flexibeler de bedrijfstijden worden, hoe onvriendelijker dit uitpakt voor familie en gezinnen.

En dan is toch weer de vraag wat de gezinspolitiek van het CDA nu toch in feite inhoudt, en misschien nog belangrijker, in hoeverre dit een belangrijke verandering is ten opzichte van het beleid dat het huidige kabinet voert. Bijzondere aandacht voor huishoudens met kinderen heeft het kabinet-Kok bij voorbeeld ook, alleen wordt dit niet geboekt onder de noemer gezinsbeleid, maar onder inkomensbeleid.

Het interessante van het themanummer van Christen Democratische Verkenningen is dat de CDA'ers die gezinspolitiek wel enigszins beleidsmatig proberen te vertalen, allen een richting op gaan die bijna tegenovergesteld is aan de politiek zoals die in de naoorlogse jaren door de Katholieke Volkspartij werd gepropageerd. Zo stelt plaatsvervangend directeur Klop van het wetenschappelijk instituut van het CDA voor in de sociale- en fiscale wetgeving het huishouden met twee deeltijdbanen als standaardmodel te hanteren, zoals het kostwinnersmodel dit in de jaren vijftig was.

Dat is inderdaad een heel ander geluid dan de staat die “verplicht is het gezin bij het vervullen van zijn taak krachtig bij te staan en de voorwaarden te scheppen waardoor het in zedelijk, maatschappelijk en economisch opzicht tot volle ontplooiing kan komen”, zoals nog in het eerste beginselprogramma van de KVP stond.

Hetzelfde geldt voor de normatieve benadering van het gezin. De KVP was er destijds heel duidelijk over. In de geest van de encycliek Rerum Novarum werd gesteld dat het gezin dat zijn oorsprong vindt in het huwelijk de eerste en voornaamste natuurlijke gemeenschap was. Aan een dergelijke stringente definitie waagt het CDA zich anno 1996 niet meer. “Gezinspolitiek mag beslist niet worden begrepen als een poging tot standaardisatie van persoonlijke relaties”, schrijft oud-minister Hirsch Ballin. Maar hoe ver gaat het CDA hierin? Partijvoorzitter Helgers vindt eigenlijk niet dat homoparen kinderen mogen opvoeden. “Recent onderzoek toont aan dat een traditionele omgeving voor een kind de beste omgeving is om in op te groeien”, schreef hij in Trouw. Maar het Tweede-Kamerlid Van de Camp verklaarde het afgelopen weekeinde voor de radio dat homoparen wel degelijk de opvoeding van kinderen op zich kunnen nemen. De enige voorwaarde die hij stelt is dat de relatie stabiel is.

Het CDA kiest voor een moderne gezinspolitiek. Maar er is een groot verschil tussen een politiek die anders is als vroeger en een politiek die totaal breekt met vroeger. Toch zijn beide stromingen ruimschoots in het CDA aanwezig. Het CDA kan daardoor de pretentie van een brede volkspartij blijven ophouden. Zich echt profileren op het thema gezin is echter een stuk moeilijker. Voor de andere partijen is dat een geruststellende gedachte.