Bokkenbloed splijt diamant

Plinius, de Romeinse schrijver van een reusachtige encyclopedie der natuur, was van mening dat niets ter wereld harder is dan diamant. Door geen metalen werktuig laat het zich splijten, geen vuur tast het aan. Slechts één middel is er om een diamant week te maken: men moet hem bestrijken met het verse, nog warme bloed van een bok.

En dan nòg dient men over het hardste aambeeld en de krachtigste hamer te beschikken om de steen te kunnen verbrijzelen. De splinters zijn zeer in trek bij kunstenaars die gemmen snijden.

Plinius' bewering dat diamant zich alleen door middel van bokkenbloed laat splijten heeft vijftienhonderd jaar als een onaantastbare waarheid gegolden. Vrijwel alle middeleeuwse verhandelingen over de eigenschappen van stenen herhalen de details, evenals de grote encyclopedieën. Jacob van Maerlant is geen uitzondering: op gezag van Thomas van Cantimpré deelt hij in het twaalfde boek van zijn Naturen bloeme mee dat het benodigde bokkenbloed warm uit de wond moet stromen (warem rinnende uter wonden). Talrijke religieuze schrijvers hebben de fysieke eigenschappen van diamant, bok en bloed in morele zin uitgelegd. Daarbij kon de diamant zowel de zondige hardnekkigheid verbeelden die door Christus' passie wordt vergruizeld, als de harde kern van goede eigenschappen die zich niettemin door bezoedeling met de wellust - de bok werd als een bij uitstek geil dier beschouwd - laat aantasten. Ook verhalende kunstenaars hebben van het gegeven gebruik gemaakt. Beroemd is de passage in Wolfram von Eschenbachs Parzival waarin beschreven wordt hoe Gahmuret, Parzivals vader, in een gevecht tegen heidenen de dood vindt. De edele Gahmuret draagt een helm van diamant, die hem onoverwinnelijk zou hebben gemaakt, ware het niet dat een Saraceense ridder er onverhoeds een fles bokkenbloed op had stukgeslagen. De helm zakt ineen, slap als een spons, en koning Ipomedon kan Gahmuret moeiteloos een speer door het hoofd drijven...

Hoe is het mogelijk dat men eeuw na eeuw is blijven geloven dat diamant alleen met behulp van bokkenbloed kan worden gespleten? Waarom heeft het tot in de zestiende eeuw geduurd voor men Plinius durfde tegenspreken? Middeleeuwse bewerkers van edelstenen moeten toch hebben geweten dat diamant zich ook zonder tussenkomst van bokkenbloed laat kloven? Het antwoord op vragen als deze valt misschien veronderstellenderwijs af te leiden uit een opmerking in het invloedrijke 'Edelstenenboek' van Marbodus van Rennes (gestorven in 1123), die in vele latere lapidaria (stenenboeken) is overgenomen. Volgens Marbodus is het alleen de Indische diamant die zich slechts door bokkenbloed laat breken; een andere soort, de Arabische diamant, kan ook zonder bokkenbloed worden gespleten. Of Arabische diamanten ook uiterlijk van Indische onderscheiden kunnen worden, laat hij in het midden.

Maar wellicht verdient een andere verklaring eveneens overweging. Uit de eerste helft van de twaalfde eeuw stamt een handboek over de techniek van allerlei kunsten dat op naam van een zekere Presbyter Theophilus is overgeleverd. Theophilus vermeldt niet hoe diamant wordt bewerkt, maar geeft wel instructies voor het besnijden van kristal. Zijn aanwijzingen zijn zo gedetailleerd en precies dat men moeilijk kan geloven dat zij niet een bestaande praktijk zouden weerspiegelen. “Wilt ge een kristal besnijden, neem dan een bok van twee of drie jaar, bind zijn poten bij elkaar, snijd vervolgens tussen zijn borst en zijn buik ter plaatse van het hart een opening en leg daar het kristal in, zodat het in het bloed ligt tot het warm is geworden. Neem het kristal er dan snel uit en graveer erin wat ge wilt, zo lang de warmte aanhoudt. Telkens als het kristal afkoelt en weer hard wordt, moet ge het terugleggen in het bokkenbloed om het eruit te halen en verder te besnijden als het weer warm geworden is. Ga zo door tot het graveren voltooid is. Wrijf het verwarmde kristal tenslotte met een wollen doek zodat ge het met ditzelfde bloed glans verleent.” Als bij het besnijden van kristal, getuige Theophilus, warm bokkenbloed werd gebruikt, is het denkbaar dat men bij het kloven van diamant, een veel harder gesteente, een overeenkomstige handelwijze volgde, zonder zich af te vragen of het niet evengoed zonder zou kunnen. De bewerking van edelstenen vond traditioneel plaats in een geheimzinnig schemergebied tussen kunstvaardigheid en magie. In dat schemergebied sorteerde de operatie van een bok, een dier dat allerlei satanische associaties opriep, ongetwijfeld een suggestief effect. De verklaring voor het voortbestaan van de praktijk zou dus wellicht vooral gezocht moeten worden in een diep in de menselijke natuur verankerde behoefte aan ritueel.

Gegevens ontleend aan F.Ohly: Diamant und Bocksblut. Zur Traditions- und Auslegungsgeschichte eines Naturvorgangs von der Antike bis in die Moderne (Berlin: Erich Schmidt Verlag, 1976).