Amateur ontdekt resten Romeinse nederzetting

SON, 8 AUG. 's Nachts is hij vrachtwagenchauffeur, overdag is de 33-jarige G. Emmery uit het Brabantse Son en Breugel amateur-archeoloog. De kosten betaalt hij grotendeels uit eigen zak. “Als ze een kabel leggen waarbij diep wordt gegraven en er een goede kans is dat er wat te vinden is, dan sta ik er met mijn neus bovenop.”

Dat was ook het geval bij het grondwerk voor het bouwplan-Klooster in zijn woonplaats. “Ik zei tegen de gemeente dat er een grote kans was dat op die plaats iets zat. Ik heb in de acht jaar dat ik me met archeologie bezighoud kunnen uitdokteren waar zo ongeveer de routes uit die dagen hebben gelopen en een route betekent nabije bebouwing. In het Klooster was het al vlug dik prijs.” Daar trof hij wat hij noemt zijn belangwekkendste vondst tot nog toe. Onder supervisie van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) haalde hij er de resten boven water van een nederzetting uit de Romeinse tijd, volgens Emmery de grootste die tot dusver in Brabant werd gevonden.

Het gaat om een nederzetting van 200 bij 400 meter, waarin uit leem opgetrokken woningen moeten hebben gestaan, misschien wel enkele tientallen boerderijen. Daarnaast twee waterputten van hout en een derde met de bouw waarvan werd begonnen maar die niet is afgemaakt. Ook vond hij het complete skelet van een hond. “De mensen zelf werden altijd buiten een nederzetting begraven.” Verder zeer rijk geornamenteerd aardewerk. Bezijden de vindplaats had hij eerder een kostbare mantelspeld, munten (ook Keltische) en luxe aardewerk gevonden. Daar heeft volgens Emmery waarschijnlijk een tempeltje gestaan. Of er altijd boeren hebben gewoond, weet Emmery niet. “Het zouden ook veteranen kunnen zijn geweest uit het Romeinse leger, want een tempeltje werd niet gebouwd op een plaats waar alleen maar boeren woonden.”

Sinds maart 1993 is er op deze plaats tussen de Grote Beek en de St. Petrus-Bandenkerk van Son gegraven. Het onderzoek werd gedaan door de Heemkundekring Son en Breugel onder supervisie van de ROB. Hoewel Emmery nu en dan hulp kreeg, heeft hij het vondstgebied grotendeels zelf blootgelegd. Van de aannemer die er bezig is huizen te bouwen, kreeg hij de kans om langer te werken dan in de plannen was voorzien, maar volgende week als de bouwvakvakantie is afgelopen, moet hij het terrein prijsgeven.

Het hout van de waterputten haalde hij afgelopen weekeinde weg. Het ligt nu in oude badkuipen onder water, omdat hout dat zo oud is anders verkruimelt als beschuit. Publiciteit wilde hij er tot nu toe niet aan geven: “Dat trekt allerlei aasgieren aan.” In een loods heeft Emmery de resten in emmers en dozen opgeborgen. Daar ziet men de genummerde plastic zakken met onder meer brokken zwart hardsteen waarmee wellicht dorpels werden gemaakt en die misschien met vlotten over de nabijgelegen Dommel zijn aangevoerd.

De zaken stammen vermoedelijk uit de eerste en tweede eeuw na Christus, maar er zijn ook resten gevonden van de midden- en laatste steentijd (8000 tot 2300 v. Chr.) en uit de middeleeuwen (achtste tot twaalfde eeuw). De oudste waterput is waarschijnlijk uit de eerste helft van eerste eeuw na Christus, de tweede uit eind eerste eeuw.