Afkammen of bijleggen; Twee scholen strijden in Nederland om de sociologische waarheid

Twee scholen telt de Nederlandse sociologie. De ene houdt van leesbare analyses, de andere zoekt naar toetsbare hypotheses. Toch groeit men een beetje naar elkaar toe.

'Het gescheiden bestaan van de twee scholen in de sociologie was goed, zo konden we de laatste tien jaar allebei wat opbouwen”, zegt Abram de Swaan, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en wetenschappelijk directeur van 'De Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek'. “Je kunt over die fundamentele verschillen natuurlijk niet iedere ochtend bij de koffie gaan discussiëren. Het gewone werk moet doorgaan. Maar nu is de tijd rijp voor meer confrontaties.”

Er is een groot verschil in aanpak van wetenschappelijk onderzoek tussen de twee dominante richtingen in de Nederlandse sociologie: de Amsterdamse School van geleerden als De Swaan, Goudsblom en Schuyt en het Interuniversity Centre for Social Science Theory and Methodology (ICS) van onderzoekers als Wippler, Lindenberg en Stokman. Hoewel beide denkrichtingen samen niet het monopolie hebben op het sociologische denken in Nederland, beheersen ze wel het toneel - zeker sinds in de jaren tachtig de marxistische school verdween, de Wageningse 'gezinssociologie' uiteenviel en de beleidsgerichte sociologie door gebrek aan theoretische diepgang steeds meer aan belang inboette. ICS en de Amsterdamse school zijn de twee enige officiële onderzoeksscholen voor sociologie. Zo'n school is een samenwerkingsverband tussen wetenschappers van verschillende universiteiten, ter coördinatie van het onderzoek en voor het begeleiden van promovendi - die dus in de sociologie samenvallen met school in de betekenis van 'groep gelijkstemden'.

“In sommige wetenschappen heb je dat fenomeen 'scholen' niet, daar heb je discussies. Bijvoorbeeld in de medische wereld. Daar zijn soms grote meningsverschillen over behandelingswijzen, maar niet over wat de definities zijn of de methodes”, aldus De Swaan. “Scholen ontstaan als kerndefinities verschillend zijn, als de onderzoeksmethodes uiteenlopen. En dan is er vaak niet eens ruzie over.”

Een paar maanden geleden gingen protagonisten van beide scholen met elkaar in debat in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift. De Swaan hekelde toen onder meer de hoge inhoudelijke prijs die het ICS betaalt voor zijn methodische strengheid: als de hypothesen toetsbaar zijn, dan zijn ze meestal niet erg interessant. “De evidentie blijft mager”, oordeelde op zijn beurt Siegwart Lindenberg, hoogleraar theoretische sociologie te Groningen, over historische theorieën van de Amsterdamse school.

Het is niet moeilijk om leden van de twee groepen scherpe kritiek op de ander te ontlokken - al wordt het bestaansrecht van de ander wel benadrukt: “het zijn natuurlijk wel echte sociologen”. Maar, zo oordeelt in zijn werkkamer in de Amsterdamse binnenstad De Swaan - die zelf promoveerde op een mathematisch-politicologisch onderzoek naar kabinetsformaties - over de concurrerende, methodologische school: “Het leutert vaak maar een eind weg, maar dan dus wel heel precies. Hun conclusies komen meestal neer op 'het kan vriezen en dooien', maar dan op een ingewikkelde manier gesteld: 'De dominante temperatuur kan zich structureel bewegen tussen 28 en 35 graden fahrenheit'. Zoiets. Het heeft iets puberaals, in de zin dat ze kennelijk niet kunnen omgaan met de teleurstelling dat er in de maatschappijwetenschappen geen zekere, stellige kennis bestaat. Op zijn slechtst ontaardt hun methode, met die manipulatie van grote databestanden, in een soort invuloefening.”

“Nou”, zegt op zijn werkkamer op de Utrechtse Uithof Harry Ganzeboom, hoogleraar in de 'sociologie, in het bijzonder de toepassingen van informatica in wetenschap en samenleving' en bestuurslid van het ICS, “Zij toetsen veel van die mooie meeslepende theorieën helemaal niet. In die zin vind ik het geen wetenschap. Ze doen weinig aan de nitty gritty van het sociologische onderzoek. De Amsterdamse methode is om drie stappen terug te doen en de sociale werkelijkheid te beschrijven op basis van tertiaire bronnen: boeken dus waarin origineel onderzoek wordt samengevat. Dat 'quartenair' onderzoek leidt er toe dat men soms de interessante ontwikkelingen mist.”

Het ICS legt sterk de nadruk op statistische toetsing van in streng jargon geformuleerde stellingen, ingebed in een formeel theoretisch kader. De verklarende sociologie die aan de wieg stond van het ICS ontstond in de jaren zeventig als reactie op de neiging om van alles en nog wat te onderzoeken zonder veel kader: de 'sociologie van het lekkere gevoel'. In het ICS staat het theoretisch gestuurd empirisch onderzoek centraal. De onderzoeker begint met een 'theoretische oriëntatie', die vervolgens wordt gespecificeerd in weerlegbare uitspraken, welke tot slot empirisch beproefd moeten worden - alles volgens de wetenschapsfilosofie van de in 1994 overleden Karl Popper.

De kernvragen voor het ICS zijn: hoe komt de sociale orde voort uit het samenspel van individuen die allemaal hun eigen belangen nastreven en door welke omstandigheden zijn sommige individuen beter in staat hun doeleinden te bereiken dan anderen? Typische ICS-onderzoeksonderwerpen zijn: 'hoe zorgen gehuwde vrouwen die zich terugtrekken van de arbeidsmarkt (en op die manier hun verdiencapaciteit verliezen) ervoor dat hun man er niet op den duur vandoor gaat met een ander die wel geld inbrengt' en 'wat zijn de effecten van automatisering op de functiestructuur van bedrijven'.

In de Amsterdamse school draait het daarentegen juist om de analyse van langlopende processen, in zo mooi mogelijk Nederlands, zonder tabellen of schema's. Centrale inspiratiebron is de civilisatietheorie van de Duits-Britse socioloog Norbert Elias (1897-1990). Volgens deze theorie kenmerkt de menselijke geschiedenis zich door voortdurende schaalvergroting. 'Verlenging van de interdepentieketens' noemen de Eliasianen dat. Steeds meer mensen worden van steeds meer mensen afhankelijk. In de loop van dat proces worden mensen gedwongen hun natuurlijke impulsen te onderdrukken en de lange-termijn consequenties van hun gedrag onder ogen te zien. Toenemende rationaliteit, zelfcontrole en beperking van geweld kenmerken dit civilisatieproces. Een typisch Amsterdamse discussie is het zogenoemde informaliseringsdebat: waarom gaan mensen tegenwoordig steeds vrijer en ongedwongener met elkaar om? Bijvoorbeeld: passen naaktstranden nu wel of niet in dit proces van toenemende disciplinering (antwoord: ja, want om goed op zo'n strand te functioneren heb je juist veel zelfcontrole nodig).

Mensen zijn volgens de Amsterdamse school historisch bepaald: persoonlijke keuzen en beslissingen worden beïnvloed door de (onbewuste) patronen van dat moment, de 'figuraties': machtspatronen, familienetwerken, beroepsverenigingen, het samenstel van verhoudingen waarbinnen mensen leven. Wetmatigheden in gedrag zijn nooit eeuwig, maar bestaan alleen binnen een bepaalde figuratie. Typisch Amsterdamse studies zijn: de wijze waarop mensen leren omgaan met vuur in de loop van het beschavingsproces, de lange-termijnpatronen in eet-, kook- en smaakpatronen in Engeland en Frankrijk, en: hoe kon de lokale liefdadigheid uitgroeien tot de huidige verzorgingsstaat?

De populariteit van de scholen is zeer ongelijksoortig. Amsterdam, met zijn grote analyses en toegankelijke theorieën, beheerst de media. Veel leden schrijven regelmatig artikelen voor groot publiek in kranten en tijdschriften - sommigen hebben zelfs een vaste column, zoals in deze krant Abram de Swaan en Christien Brinkgreve (die overigens in Utrecht hoogleraar is, in 'primaire samenlevingsvormen, levensloop en identiteit'). Hun boeken worden regelmatig besproken in de boekenbijlagen. Het ICS, met zijn strenge wetenschappelijke opvattingen, is daarentegen weinig bekend bij het grote publiek, maar vindt meer weerklank bij NWO, de organisatie die een belangrijk deel van het Nederlandse onderzoeksgeld verdeelt. “Hun suggestie dat ze wetenschappelijker dan wij zijn levert veel meer onderzoeksubsidie op”, schampert De Swaan, “Natuurlijk is er een inhoudelijk onderscheid, maar je kunt dat verschil ook sociologisch zien als een instrument in een strijd om schaarse middelen. Zij zijn er bij NWO beter in geslaagd om voor zichzelf op te komen.”

In bemanning ontlopen de twee scholen elkaar niet veel: 36 leden van het ICS en 41 voor de Amsterdamse school. Beide scholen produceerden de afgelopen zes jaar een veertigtal proefschriften. Binnen de Amsterdamse school werken nu 43 promovendi, bij het ICS maar liefst 55. Ook scoort het ICS meer publicaties in de internationale wetenschappelijke tijdschriften. De door de vakgenoten meest geciteerde Nederlandse socioloog in de periode 1992-1994 was overigens Abram de Swaan, ICS-voorman Lindenberg was derde - zo bleek uit een eind vorig jaar gepubliceerd overzicht.

“Die afwijzing door de media is natuurlijk wel eens frusterend, als we te horen krijgen dat onze stukken te 'modelmatig' zijn”, is het commentaar van Frans Stokman, hoogleraar methoden en technieken van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen en wetenschappelijk directeur van het ICS. “Maar ach, zo erg is het niet. We hebben veel contacten met ministeries. Waar het er toe doet is ons werk toch wel bekend. En onze mensen komen goed terecht. Van de 34 promovendi die we de laatste jaren hebben afgeleverd hebben er nu al twintig een vaste positie aan een universiteit, let wel: in deze moeilijke tijd! En de rest werkt bij andere sociale onderzoeksinstellingen, op drie na.”

De verdeling in twee scholen komt ook tot uiting in de twee handboeken die in Nederland op de markt zijn. Het accentverschil blijkt al uit de titel: Sociologie: vragen, uitspraken, bevindingen, van de ICS'ers Ultee, Arts en Flap (dat deze maand zijn tweede druk beleeft) en Samenlevingen. Een verkenning van het terrein van de sociologie, van de Amsterdammers Wilterdink en Van Heerikhuizen (1985, 3e druk 1993) - beide uitgegeven door Wolters-Noordhoff. “Samenlevingen wordt veel meer op hogescholen en universiteiten gebruikt dan het andere boek, de verkoop is daardoor ook veel constanter”, zegt Kees Engelhart, marketingcoördinator van Wolters-Noordhoff. De verkoop op de 'algemene markt' is ongeveer gelijk, want “de echt geïnteresseerden kopen beide boeken”. Van het Amsterdamse boek worden in totaal ongeveer vijf keer zoveel exemplaren verkocht als van het ICS-handboek - de preciese cijfers zijn bedrijfsgeheim. Maar het boek van Ultee verkoopt goed genoeg, vandaar de herdruk.

Is de verdeling in twee scholen nuttig? De Swaan: “Wat meer contact en openlijke confrontatie zou niet zo gek zijn. Zij kunnen ons inspireren tot betere toetsbaarheid en wij hen tot interessantere vragen. Zij beproeven zorgvuldiger, maar wij zijn in de begripsvorming veel sterker.” Op initiatief van Lindenberg gaat De Swaan meewerken aan een onderzoeksproject naar gemeenschapszin: 'the community as a social resource'. De vooraanvraag bij NWO is ingediend.

Het onderwerp van het debat in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (AST) was de toepasbaarheid van de bij het ICS erg populaire rationele keuze-theorie, een uit de economie overgenomen mensbeeld dat er van uitgaat dat de mens altijd in principe rationeel handelt en streeft naar nutsmaximalisatie, of het nu gaat om machtsuitoefening, sociale status of economische positie. Johan Goudsblom, hoogleraar in Amsterdam en een van de stichters van de Amsterdamse school, ziet er weinig in. “Mensen handelen zelden geheel zonder doel of reden; maar niemand is in staat om voortdurend alle mogelijke doelen en middelen tot in hun laatste consequenties tegen elkaar af te wegen”, schreef hij in zijn discussiebijdrage. “Dit impliceert een keuze, niet alleen tussen de beschikbare middelen, maar ook tussen de mogelijke doelen.”

De Swaan is positiever, want, zo schrijft hij in het AST, “sinds de aanvang van de sedentaire landbouw hebben mensen zich als het er echt op aan komt heel waakzaam en beramend getoond, zeker als het ging om kwesties van huwelijk en oorlogsvoering”. Het rationele mensbeeld kan de socioloog bedacht maken op deze mechanismen. Maar de rationele keuze-theorie als verklaringsmodel is alleen toe te passen in een statische situatie, niet in een analyse van veranderingen, aldus De Swaan. Ook geeft de rationele theorie volgens hem niet aan welk rationeel verlangen: macht, geborgenheid of status, in een bepaalde situatie het belangrijkst is.

Waarschijnlijk is de twist over de al dan niet veronderstelde rationaliteit van het menselijk handelen een achterhoedgevecht tussen de twee scholen. “Je kunt de hele figuratietheorie van Elias ook uitwerken als een rationele keuze-theorie. Dat verschil ligt niet zo sterk”, zegt hoogleraar Stokman bij een kop koffie in de stationsrestauratie in Groningen. “Het is een accentverschil, je kunt het historisch of modelmatig uitwerken. Daarin kunnen we elkaar goed aanvullen. Het is niet nodig om als kemphanen tegenover elkaar te staan.”

Zelf is Stokman, die zich sinds 1969 onder meer bezighoudt met onderzoek naar sociale netwerken, ook steeds procesmatiger gaan werken. In enkele recente internationale artikelen kritiseert hij eerdere (Amerikaanse) netwerkmodellen als te statisch en te theoretisch. Om dat te omzeilen onderzoekt hij, onder meer met computermodellen, het ontstaan van netwerken: hierbij ontstaan netwerken geleidelijk doordat mensen contact met elkaar zoeken om zo hun doeleinden beter te kunnen bereiken. Daarbij hebben zij geen totaal rationeel inzicht in de situatie, maar slechts een vaag vermoeden welke contacten het meest effectief zijn.

Een belangrijk strijdpunt tussen de twee scholen is de toetsbaarheid van de beweringen, die raakt aan de wetenschapsopvatting. Neem bijvoorbeeld de volgende uitspraak over de jaren dertig van de negentiende eeuw. “Maar ook de 'diep gewortelde angst voor rebellie en desintegratie' bracht steeds meer mensen ertoe het algemene lagere onderwijs te propageren als het middel om discipline en onderdanigheid in te prenten...” Is dit waar? De Swaan schreef deze zin op in zijn befaamde boek Zorg en de staat (1989), maar zijn Groningse collega Siegward Lindenberg vroeg zich in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift waar die bewering nu eigenlijk op gebaseerd is. De Swaan verwijst bij de bewering per noot naar twee andere boeken. Maar die onderbouwen de stelling van de angst niet veel beter. “Zo kan het probleem gewoon van de ene auteur naar de andere worden doorgeschoven. (...) De evidentie blijft mager, ook met een paar brieven of dagboekuittreksels”, aldus Lindenberg. In die tijd werden geen enquêtes gehouden, erg betrouwbaar zijn al die generalisaties van een steekproef van N = 1 niet, aldus de ICS-voorman.

In zijn repliek op Lindenberg meldt De Swaan dat hij voor de rebellie-angst wel degelijk kan worden verwezen naar vele publicaties van onderwijshervormers uit de jaren 1830-1840. “Lindenberg vindt kennelijk dat alleen ego-documenten ('een brief') uitsluitsel kunnen geven over motivering [voor de verbreiding van lager onderwijs, red.]. Dat lijkt mij overdreven restrictief, maar zelfs zulke bronnen zijn in dit geval wel te vinden en ze zijn dan zeker zo betrouwbaar als de enquête-resultaten waarin zoveel vertrouwen wordt gesteld bij het onderzoek van hedendaagse beweegredenen.”

In zijn werkkamer gaat De Swaan verder in op 'de armoede van de sociologie', de wetenschap die òf toetsbaar òf interessant lijkt te zijn. “Hoe is het eigenlijk in de economie en de psychologie? Daar is het niet veel beter. Neem een van de weinige echt universele economische wetten, van Gresham: 'bad money always drives out good money'. Die wetmatigheid veronderstelt al een specifieke historische fase, die van de geldeconomie. Maar in die vakgebieden valt die onzekerheid niet zo op, omdat ze een duidelijk eigen terrein hebben waar buitenstaanders eerbiedig zwijgen: de psychologie heeft haar laboratoria en de economie haar mathematische modellen. De sociologie daarentegen is doordringbaar: ze beschikt niet over een kennisreservaat waar voor leken toegang verboden is. Alles wat wij bedenken wordt direct opgezogen en verwerkt in de maatschappij. En dan is het studieonderwerp van de sociologie, het samenleven van mensen, ook nog eens het meest complexe kennisobject in het heelal. Dat kun je niet systematiseren, want het is voortdurend in verandering. Daarin ontdek je niet gauw harde wetmatigheden. De wetenschappelijkheid zit hem in de zorgvuldigheid, de gedistantieerdheid en in de aansluiting op wat anderen al gedaan en ontdekt hebben. Statistische toetsing, die vergeleken met een experiment al een zwakke vorm van empirie is, is niet de enige zaligmakende manier om iets aannemelijk te maken. Alsof je over datgene wat je niet kunt toetsen moet zwijgen.”

Bij het ICS is men niet zo pessimistisch over ontdekkingen van wetmatigheden. Directeur Stokman: “Met de besluitvormingsmodellen die in Stanford en binnen het ICS onder mijn leiding zijn ontwikkeld, kunnen we 80 à 90 procent van besluitvormingsprocessen goed voorspellen. Onze voorspelling van de uitkomst van de CAO-onderhandelingen door de Industriebond ligt in een gesloten enveloppe bij de notaris. En een Amerikaanse collega voorspelde op basis van dezelfde modellen een dag na de coup tegen de toenmalige Sovjet-president Gorbatsjov dat die zou mislukken, dat binnen een jaar de Baltische republieken onafhankelijk zouden zijn en dat Jeltsin de nieuwe kernfiguur in Rusland zou worden. Dezelfde dag schreef in de New York Times Henry Kissinger dat de Amerikaanse regering realistisch moest zijn en maar beter in contact kon treden met de coupplegers.”

“Hm”, zegt De Swaan, als hij dit verneemt. “Volgens mij is de enige socioloog die jaren tevoren de ineenstorting van het Sovjetrijk op theoretische gronden heeft voorspeld een historische socioloog geweest, Randall Collins.”