Aantal doden Elisabethsvloed viel mee

Over het aantal slachtoffers van de Sint Elisabethsvloed van 1421 circuleert een hardnekkige legende. De historisch geograaf J. Buisman heeft getracht het werkelijke dodental vast te stellen.

DE BILT, 8 AUG. Hij las het tot zijn verbazing nog in een pas verschenen boek: bij de Sint Elisabethsvloed van 1421 zijn in één nacht 72 dorpen verzwolgen en honderdduizend mensen verdronken. J. Buisman, historisch geograaf, schudt enigszins getergd zijn hoofd: “Die auteur zit er dus volkomen naast. Zijn aantallen berusten op pure legendevorming, die maar niet op wil houden. In werkelijkheid zijn er rond de tweeduizend slachtoffers gevallen en bedroeg het aantal verdwenen dorpen en gehuchten 28.”

Buisman (71) heeft zojuist het tweede deel van zijn levenswerk voltooid: Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, een serie lijvige boekwerken die hij schrijft in samenwerking met het KNMI in De Bilt. Ditmaal komt het tijdvak 1300-1450 aan de orde, een periode die de 'meest beruchte stormvloed uit de Nederlandse geschiedenis' heeft opgeleverd. De Grote of Zuid-Hollandse Waard, zuidoostelijk van Dordrecht, kwam hierdoor geheel onder water te staan, wat het begin van de Biesbosch betekende. Maar was het, gemeten naar het aantal menselijke slachtoffers, ook de zwaarste overstromingsramp? Dat valt volgens Buisman te betwijfelen.

“De Sint Elisabethsvloed ontmaskerd”, meldt het KNMI in een persbericht naar aanleiding van het tweede deel. Maar Buisman laat die eer toekomen aan zijn leermeesteres, wijlen M.K.E. Gottschalk, die in haar standaardwerk Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland (1975) al met de legendes had afgerekend. Het cijfer van honderdduizend doden, reeds genoemd in 1499 in befaamde kroniek van Koelhoff uit Keulen, was van meet af aan schromelijk overdreven, aldus Buisman. “Zoveel mensen woonden er bij lange na niet in deze contreien. Heel Nederland telde in die tijd hooguit een half miljoen bewoners.”

Liever baseert hij zich op een contemporaine, anonieme kroniekschrijver uit Tiel, die kort na de ramp noteerde: “Daags na Sint Elisabeth (19 november) woedde er 's nachts zo'n hevige storm, dat de wind met orkaankracht in Tiel en elders verschillende huizen omver blies en in Holland door dijkdoorbraken veel schade aanrichtte. Tweeduizend mensen zijn, naar men zegt, verdronken.” Buisman: “Dat cijfer maakt uiteraard geen aanspraak op nauwkeurigheid, maar staat waarschijnlijk niet ver van de realiteit.” Stel dat het dodental in 1421 inderdaad circa tweeduizend bedroeg, dan was de Sint Elisabethsvloed ernstiger dan de februariramp van 1953, toen in Zeeland en Zuid-Holland 1.835 mensen omkwamen. Zeker als de cijfers worden afgezet tegen het totaal van de Nederlandse bevolking in beide jaren.

Daar staat tegenover, zegt Buisman, dat 1953 in de moderne tijd viel, een tijd met betere reddingsmogelijkheden en waarschuwingssystemen. Tegen die achtergrond zou '1953' weer als ernstiger te bestempelen zijn dan '1421'.

Ook vóór 1421 hebben zich trouwens overstromingen voorgedaan die wellicht het predikaat 'zwaarste uit de Nederlandse geschiedenis' verdienen. Buisman noemt onder andere de Marcellusvloed van 16 januari 1219, die vermeld staat in de zogeheten Dialogus (1222) van Caesarius van Heisterbach, monnik in een Cisterciënserklooster bij Köningswinter. Hij schreef dat bij de Marcellusvloed een groot deel van Frisia (dat wil zeggen ongeveer de gehele Nederlanden) door de zee werd overspoeld, waarbij dorpen en kerken werden vernield en meer dan honderdduizend mensen het leven lieten.

Daar duikt, net als bij de Sint Elisabethsvloed, het cijfer van 100.000 weer op. Buisman: “Caesarius was een geestelijke, zoals zoveel andere middeleeuwse schrijvers, die het Oude Testament navolgden als voorbeeld van geschiedschrijving. Dikwijls zijn de ronde aantallen symbolisch bedoeld en hebben ze slechts de betekenis van veel of erg veel.”

Meer aanspraak op nauwkeurigheid maken volgens Buisman enkele priesters en dekens uit Noord-Nederland, die de gevolgen van een stormvloed op 14 december 1287 in dat gebied beschreven. Naar hun schatting verdronken tussen Stavoren en de Lauwers (het tegenwoordige Friesland) dertigduizend mensen en van de Lauwers tot de Eems (Groningen) nog eens twintigduizend. Buisman: “Die cijfers komen realistisch over, temeer omdat de bewuste zegslieden in de streek zelf woonden en niet, zoals Ceasarius van Heisterbach, vanuit het buitenland rapporteerden.”

Een ogenschijnlijk exact dodencijfer is bekend uit de vroegste middeleeuwen met betrekking tot een stormvloed die op 26 december 838 het Nederlandse kustgebied teisterde. Het nieuws over de ramp drong zelfs door tot de Franse landstreek Champagne, waar Prudentius, de latere bisschop van Troyes, goed op de hoogte bleek te zijn. Hij meldde dat er 2.437 slachtoffers vielen.

Een dergelijke mate van nauwkeurigheid komt Buisman zeer ongeloofwaardig voor. “Wij hadden in 1953, in de twintigste eeuw, al de grootste moeite het precieze aantal doden vast te stellen. Dus die exactheid van Prudentius, in de negende eeuw notabene, moet een schijnexactheid zijn.”

    • F.G. de Ruiter