Straat

Van alle straten in het noorden van Rotterdam waar we hebben gewoond, heeft de Zwartjanstraat de meeste indruk op mij gemaakt. Hoewel ik pas drie jaar was toen we er kwamen en zeven toen we er weggingen, kan ik mij de winkels naast ons en aan de overkant nog één voor één voor de geest halen en zijn de gezichten en namen van de mensen die er hun karige boterham verdienden me tot op de dag van vandaag bijgebleven.

Ook het uitzicht aan de achterzijde van onze etage leverde een onvergetelijke aanblik op, omdat zich daar achter een hoge muur het Huis van Bewaring bevond vol dieven en moordenaars, wier vreugdeloos gezang zondagsochtends uit de ronde gevangeniskerk tot onze ontbijttafel doordrong. Het grauwe geheel werd echter goedgemaakt door een schitterende rij populieren, die de strenge gevel met de getraliede celraampjes nagenoeg aan het oog onttrok - althans 's zomers, want 's winters keken we er dwars doorheen - en in een lange laan met twee haakse bochten doorliep tot het Gerechtsgebouw aan de Noordsingel.

Toen ik zes jaar werd, mocht ik buiten spelen; alleen met mooi weer en vlak voor de deur, die een eindje open bleef. Behalve dat ik met andere kinderen in aanraking kwam (Becca en David van de viswinkel en Mientje Burgerhout van de lampekappenzaak), merkte ik ook dat er bijzonder veel te beleven viel. Zo ontdekte ik er onder andere de gekleurde plaat achter de etalageruit van meneer Lindhouts tweedehands-meubelwinkel, waarnaast hij urenlang met een sigaar tussen zijn lippen tegen de pui placht te leunen. Dit weerhield mij er niet van me telkens weer voor zijn raam op te stellen om de prent - die twee evenwijdige wegen voorstelde, een brede en een smalle - met niet aflatende belangstelling te bestuderen. Meestal begon ik met de toegang tot de smalle weg, een nauwe poort, waarvoor merkwaardigerwijs opvallend veel kinderen samendrongen en waarlangs zich kerken en ziekenhuizen en andere sombere instellingen bevonden (de namen stonden er in kleine lettertjes boven, maar ik kon nog niet lezen). Invaliden in rolstoelen werden door verpleegsters voortgeduwd en moederlijke vrouwen, nog net zichtbaar achter vensters, zaten te breien bij wiegen en theelichten, terwijl op kerkhoven weduwen en wezen in diepe rouw naast grafzerken knielden. Aan het eind van dit kommervolle pad gloorde echter een hemels licht, waarin engelen een paradijselijk landschap met een stralende zon tegemoet zweefden. Dit maakte veel goed, ofschoon ik het niet meer dan billijk vond dat degenen die voor deze weg hadden gekozen met zoiets moois werden beloond.

Niettemin moest ik toegeven dat de brede weg aanmerkelijk meer te bieden had. Eenmaal voorbij de royale, feestelijk versierde poort regen zich de adembenemendste taferelen aaneen, met dronken, vechtende en duellerende mannen, soldaten op een slagveld die te midden van kruitdamp en kanonnen met hun hand op hun hart achterover wankelden, ongure typen met petten en maskers die met dikke buidels geld onder beide armen de benen namen, en hier en daar op een grasveld een meisje in een bebloed wit gewaad met een dolk in haar borst. Ook hier rezen allerlei gebouwen op, maar nu als duidelijk herkenbare schouwburgen, balzalen en cafés, waar het vrolijk toeging en door half openstaande deuren een glimp van aantrekkelijke dames in de armen van heren met snorren en monocles kon worden opgevangen. Hier wachtte evenwel geen hemels licht aan het eind, maar vaneensplijtende zwarte wolken waaruit bliksemschichten schoten en een chaotisch kronkelende massa menselijke lichamen in een kuil vol lekkende vlammen tuimelde. Met dit afschrikwekkende schouwspel voor ogen koos ik met heimelijke tegenzin voor de smalle weg, om de eerstvolgende keer dat ik onder meneer Lindhouts verveelde blik voor de meubelzaak post vatte opnieuw in hevige tweestrijd te geraken ten aanzien van de voor- en nadelen van de twee zo verschillende wegen.

Kort voor mijn ouders en ik de Zwartjanstraat verlieten, had de merkwaardige gebeurtenis plaats waarmee ik deze straat altijd zou blijven verbinden. Het was zomer en mooi weer en ik speelde met mijn nichtje Toos op het trottoir voor ons huis. We dreunden juist een aftelversje op ('Ie wie waai weg, jij waait weg'), toen er plotseling een lange, donkere man in een regenjas naast ons opdook. Hij droeg een gleufhoed waar zwart haar onderuit krulde, en zonder op Toos te letten richtte hij zich rechtstreeks tot mij met de vraag of mijn moeder thuis was. Vreemd genoeg kan ik mij niet herinneren wat ik heb geantwoord. In elk geval moet ik iets hebben gezegd dat hem deed besluiten ons op klaarlichte dag in een drukke winkelstraat mee te tronen naar de openstaande deur - waaruit bleek dat hij wist waar ik woonde en de duistere situatie van het trappehuis kende.

Terwijl hij Toos op gedempte toon gelastte in het portaal 'de wacht' te houden (die twee woorden heb ik hem duidelijk horen zeggen), sloot hij de deur en dirigeerde mij met een stilzwijgend gebaar voor zich uit naar boven. Op de overloop van de eerste verdieping, waar het nooit anders dan stikdonker was, met links de deur van onze etage en rechts die van de buren naast ons, bleef de man een paar treden lager staan en fluisterde dat ik iets lekkers van hem zou krijgen. Wat erop volgde gebeurde zo snel dat het voorbij was voor ik besefte dat hij mijn hand om iets heen had gelegd dat bloot en warm aanvoelde en een spoor van nattigheid achterliet. Meteen daarna keerde hij zich om, liep geruisloos naar beneden en glipte langs mijn nichtje, dat nog steeds in het portaal 'de wacht hield', naar buiten.

Omdat mijn grootmoeder tot op zeer hoge leeftijd ook in de Zwartjanstraat heeft gewoond, ben ik later gedurende mijn bezoeken aan Rotterdam en aan haar talloze malen langs ons oude huis gekomen. Hieraan kwam een eind toen het werd afgebroken en er een flatgebouw voor in de plaats verrees, waarna ik de straat door de jaren heen langzaam zag veranderen. Alleen het beeld van de man in de regenjas is nooit veranderd, en als ik nu de plek passeer waar ik vroeger voor de openstaande deur heb gespeeld, doemt hij onherroepelijk naast mij op en vraagt of mijn moeder thuis is.