Relatie Kroatië en Servië verre van genormaliseerd

Normalisatie van de betrekkingen, wederzijdse erkenning, de verdeling van de federale boedel van het vroegere Joegoslavië, Oost-Slavonië, het lot van vermisten en krijgsgevangenen, het schiereiland Prevlaka: aan gespreksonderwerpen hebben vandaag Slobodan Milosevic, president van Servië, en zijn Kroatische ambtgenoot Franjo Tudjman geen gebrek als ze elkaar voor hun eerste bilaterale top sinds 1991 in Vouliagmeni ontmoeten.

In het vredesakkoord van Dayton - door beiden ondertekend - werd nog een spoedige “complete normalisering” van de betrekkingen aangekondigd.

Maar die normalisering is er nog steeds niet, ondanks vooruitgang op vele punten - zoals de heropening van de autoweg Zagreb-Belgrado en de vestiging van diplomatieke vertegenwoordigingen in elkaars hoofdsteden. Joegoslavië (Servië en Montenegro) en Kroatië erkennen elkaar nog altijd niet officieel.

Na de ondertekening van 'Dayton' kwam al snel de klad in de toenadering. De onmiddellijke aanleiding was onenigheid over het schiereilandje Prevlaka. Volgens de Serviërs was in Dayton een geheime afspraak gemaakt om dat Adriatische schiereilandje in het uiterste zuiden van Kroatië, 2,5 kilometer lang en op zijn breedste punt 500 meter breed, te ruilen tegen Bosnisch gebied in het achterland van Dubrovnik, dat door de Bosnische Serviërs aan Kroatië zou worden afgestaan. Joegoslavië wil Prevlaka graag hebben omdat het de toegang tot Kotor, de enige marinebasis van Joegoslavië, controleert. Het achterland van Dubrovnik is voor Kroatië belangrijk omdat vanuit dat gebied de Adriatische havenstad vaak door de Serviërs is beschoten.

De ruil ging echter niet door, omdat de publieke opinie in Kroatië zich heftig verzette tegen het afstaan van Prevlaka. De Kroaten moesten hun geheime afspraak haastig corrigeren.

Prevlaka is echter niet het belangrijkste punt van geschil. De verdeling van de bezittingen en schulden van de oude, ter ziele gegane Joegoslavische federatie is veel belangrijker. Joegoslavië acht zich de opvolgerstaat van de oude federatie - omdat Slovenië, Kroatië, Bosnië en Macedonië zich eenzijdig hebben afgescheiden - en eist al het federale bezit op. Het gaat daarbij om betwist bezit van rond zestig miljard dollar, waaronder alleen al 5,5 miljard dollar aan federale valutareserves. Over de verdeling van al dat geld, onroerend goed en andere bezittingen is nog steeds geen overeenstemming bereikt. De 'nieuwe' republieken voelen er niets voor het huidige Joegoslavië als opvolgerstaat van de oude federatie te erkennen: voor hen is die oude federatie uiteengevallen. Wel is men het eens over de verdeling van de nationale schuld, waarvan Joegoslavië 36,5 procent voor zijn rekening neemt en Kroatië 28,5 procent.

Ook Oost-Slavonië is een uitstaand probleem. Zagreb eist van Joegoslavië de erkenning van Kroatië binnen zijn huidige internationaal erkende grenzen, dat wil zeggen met inbegrip van Oost-Slavonië, het laatste stukje van Kroatië dat nog door de Kroatische Serviërs wordt beheerst. Er is een akkoord dat het herstel van de Kroatische soevereiniteit over Oost-Slavonië in 1997 of op zijn laatst in 1998 regelt. Als Belgrado tot de erkenning van Kroatië overgaat, geeft het de jure zijn aanspraken op het gebied op en erkent het dat de Kroatische Serviërs in Oost-Slavonië Kroatische staatsburgers zijn. En beide stappen vermijdt Milosevic liever. Joegoslavië van zijn kant eist erkenning als opvolgerstaat van de oude federatie, waartegen de Kroaten zich, gezien de nog niet geregelde verdeling van bovengenoemde federale boedel, verzetten.

Dan is er ook nog het probleem van de vermisten en krijgsgevangenen uit de oorlog die in de tweede helft van 1991 in Kroatië werd uitgevochten en het probleem van de terugkeer van de 150.000 tot 200.000 Kroatische Serviërs die vorig jaar, toen het Kroatische leger het grootste deel van de 'republiek' van de Kroatische Serviërs veroverde, naar Servië vluchtten.

Kroatië stemt in principe in met de terugkeer van die vluchtelingen, maar werpt zoveel bureaucratische hindernissen op dat in de praktijk slechts weinigen zijn teruggekeerd. Van zijn kant eist Kroatië van Belgrado opheldering over het lot van 2.800 Kroaten die sinds 1991 nog worden vermist, onder wie 1.400 inwoners van het door het Joegoslavische Volksleger in puin gegooide Vukovar.

Volgens de Serviërs zijn die 1.400 mensen gesneuveld, maar er zijn slechts tweehonderd lijken overhandigd en er zijn maar over 82 vermisten dossiers beschikbaar gesteld. In Kroatië doen nog steeds berichten de ronde als zouden er in Servië Kroatische krijgsgevangenen vastzitten, die er als slaven worden behandeld. Een enkele keer duikt zo'n vermiste Kroaat op, met gruwelverhalen over mishandelingen, ondervoeding, dwangarbeid en verwaarlozing.