Overheid moet gewoon goede en goedkope banen scheppen

Melkertbanen staan bloot aan allerlei kritiek: er komen er te weinig van en waar ze komen, gaan ze ten koste van andere regelingen.

Wim Derksen ziet veel goeds in Melkertbanen, maar vindt tegelijkertijd dat de overheid er te veel mee wil.

De kritiek op Melkertbanen klinkt alom. Ook het hoofdredactionele commentaar van NRC HANDELSBLAD van afgelopen vrijdag was duidelijk: echte banen worden alleen door de markt gegenereerd. Het cynisme moest eens de kop op steken. Toch is de kritiek niet terecht. Tegelijkertijd moet erkend worden dat het niet goed gaat met de Melkertbanen.

Melkertbanen vormen een onderdeel van het tot op heden succesvolle werkgelegenheidsbeleid van het kabinet. Het zijn nieuwe, structurele banen bij de gemeenten en in de zorgsector, die bij uitstek geschikt zijn voor laag-geschoolden. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Melkert) draagt per baan 40.000 gulden bij. Het gaat om 80 procent-banen (4 dagen), die maximaal beloond mogen worden met 120 procent van het minimum-inkomen. Alleen langdurig werklozen (minimaal één jaar werkloos) met een uitkering komen ervoor in aanmerking.

Met dergelijke banen kunnen drie vliegen in één klap worden geslagen. Ten eerste is de werkloosheid, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, omvangrijk en hardnekkig. Tot op heden blijkt de markt zelf onvoldoende te voorzien in voldoende werkgelegenheid voor laaggeschoolden (ondanks de hoopvolle berichten van de laatste weken). Ten tweede zijn in de publieke sector in het afgelopen decennium tienduizenden banen verdwenen, met name aan de onderkant van het loongebouw. Iedereen kan constateren welke gevolgen dat heeft voor de directe leefomgeving (vuilere parken, meer onveiligheid, ofwel: verloedering van het publiek domein) en voor de zorg van zieken, zwakzinnigen, bejaarden etcetera.

Het wegvallen van deze goedkope banen is enerzijds veroorzaakt door de zich eindeloos repeterende bezuinigingen, anderzijds door de opwaartse druk binnen de organisaties zelf (waardoor goedkope banen worden ingeleverd voor dure beleidsmedewerkers). Ten derde kunnen de miljarden die aan sociale uitkeringen worden uitgegeven beter worden besteed, zowel vanuit het perspectief van de betrokkenen als vanuit dat van de samenleving als geheel. Juist door het creëren van 80.000 Melkertbanen (in verschillende varianten) konden deze drie problemen in samenhang worden aangepakt. Laaggeschoolde werklozen zouden worden ingezet ten behoeve van het publiek domein, waardoor tegelijkertijd de sociale uitkeringen konden worden verlaagd. Cynici zouden zeggen: hier wordt geld rondgepompt, optimisten zeggen: hier wordt passief geld actief gemaakt.

De eerste evaluatie van de Melkertbanen heeft inmiddels het licht gezien, overigens zonder dat de resultaten van het onderzoek (van de Algemene Rekenkamer) naar mijn weten openbaar zijn. Het gonst van conclusies, recentelijk ook in de media. De gemeenten en (met name) de zorginstellingen zouden niet in staat zijn voldoende Melkertbanen te creëren, en waar succes werd geboekt zou dat vooral ten koste gaan van andere regelingen. De reacties waren tamelijk stereotiep. De cynici konden zeggen dat ze al lang wisten dat 'kunstbanen' geen oplossing bieden voor de werkloosheid. De directe belangenbehartigers van de Melkertbanen riepen vervolgens in koor dat er niets aan de hand was, en dat het kabinet de tijd moest krijgen om succes te boeken.

Beide reacties lijken onvoldoende. Degenen die geloven dat alleen de markt echte banen genereert, vergeten te gemakkelijk dat diezelfde markt op dit punt nu al jaren tekort schiet. (Je moet ook wel lef hebben om op dit punt onverkort in de heilzame werking van de markt te blijven geloven.) De belangenbehartigers schieten daarentegen door, waar ze slechts over opstartproblemen spreken. Te gemakkelijk bagatelliseren ze daarmee de ernst van de problemen. De gemeente Amsterdam heeft niet voor niets de helft van haar quotum aan het ministerie moeten teruggeven. Ze blijkt niet in staat honderden banen te realiseren, terwijl in de komende jaren een nog veel groter quotum wacht.

Het is dus belangrijk om nader te analyseren waaraan het werkelijk schort. Naar ik kan inschatten moet in ieder geval één oorzaak worden genoemd. Die oorzaak is des overheids: de overheid wil te veel. Niet alleen moeten er 'simpele' banen worden gecreëerd, waarvoor weinig 'startkwalificaties' (opleiding, ervaring) vereist zijn, tegelijkertijd worden allerlei criteria geformuleerd waaraan de kandidaten voor die banen moeten voldoen. De overheid creëert hier niet alleen nieuwe banen, maar spreekt ook nog eens uit wie wel en niet voor die banen in aanmerking komen.

Op zichzelf is dit laatste een sympathieke gedachte: de nieuwe banen moeten ten goede komen aan mensen die de banen het meeste nodig hebben. Tegelijkertijd lopen we daarmee het risico zelf het slachtoffer te worden van alle goede bedoelingen. Ten eerste vergt het veel (en vaak te veel) inspanning om kandidaten te vinden die aan alle criteria voldoen (ook gelet op de eisen die de werkgever stelt). Ten tweede komen in dit beleid niet de besten, maar de meest behoeftigen in de nieuwe baan terecht, hetgeen voor de kwaliteit van het werk en het imago van de banen niet aanbevelenswaardig is. Ten derde is een omvangrijke bureaucratie hier het onvermijdelijke gevolg (de werkgelegenheidswinst die daarbij is geboekt is door de Rekenkamer wellicht buiten beschouwing gelaten).

Aldus dreigt het beleid in zijn goede bedoelingen vast te lopen en dat lijkt in sommige gemeenten momenteel inderdaad al het geval. We kunnen het ook abstracter formuleren. De overheid vermengt hier haar vraagbeleid (ze creëert werk) te zeer met een aanbodbeleid (ze helpt specifieke groepen mensen). Samen lijkt te veel van het goede. De banen lijken niet van de grond te komen, omdat ze voor specifieke groepen zijn bedoeld en de specifieke groepen worden onvoldoende geholpen, omdat de banen niet van de grond komen.

Met de argumenten om goedkope nieuwe banen bij de overheid te creëren, is niets mis. Het publiek domein verloedert en er is te weinig werkgelegenheid voor laaggeschoolden. Alleen de uitvoering van het beleid is te ingewikkeld. De overheid moet gewoon nieuwe, goedkope banen creëren (en ervoor zorgen dat die blijven bestaan!), zonder wettelijk allerlei 'aanbodcriteria' verplicht te stellen. Ook dat nieuwe werk zal uiteindelijk ten goede komen aan mensen die (nog) geen werk hebben. En ook die banen zullen uiteindelijk tot een verlaging van het aantal uitkeringen leiden. Dit simpele voorstel betekent wel dat degenen die het het meest nodig hebben, wellicht wat later aan de beurt zijn. (Overigens: komen ze nu wèl aan de beurt?) Beter een succesvol beleid dat niet aan alle goede doelstellingen kan voldoen, dan een beleid dat in schoonheid dreigt te sterven. We hebben simpel behoefte aan gemeenten en zorginstellingen die voldoende geld krijgen om gewone, doch goedkope banen te creëren. Daaraan moeten geen verdere eisen worden gesteld. Dan kan ook het begrip 'Melkertbaan' worden geschrapt (en daartegen zal Melkert inmiddels wel geen bezwaar meer hebben).

    • Wim Derksen