Oorlogsmuseum vreest einde subsidie

Het Rijk wil vanaf het jaar 2000 fors snoeien in de subsidie aan het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum te Overloon. Dat betekent het einde van het geprezen educatieve beleid, meent de directie.

OVERLOON, 7 AUG. Groepjes vaders, moeders en kinderen maken een rondgang langs de kanonnen, geweren, uniformen, foto's en affiches op het vijftien hectare metende museumterrein in het Peeldorp. Het is rustig deze tijd van het jaar. De bezoekers praten tegen elkaar op gedempte toon, in het bijzonder in het zogenoemde Kampengebouw. Daar zien ze afbeeldingen van het leed in de concentratiekampen en horen ze het verhaal van een overlevende, Sebil Minco, die in de oorlog gevangen zat in Mauthausen, Auschwitz en Dachau.

Het in 1946 gestichte oorlogsmuseum trekt de meeste belangstellenden buiten e zomervakantie. Directeur S. Temming zegt dat er per jaar negenhonderd à duizend rondleidingen worden gegeven aan scholen, ook uit het buitenland. Hij schat het aantal bezoekers op 125.000 tot 150.000, van wie ruim de helft onder de achttien jaar is. Die opkomst zorgt voor een aanzienlijk bedrag aan entreegelden, “maar dat is niet voldoende om te overleven”, vertelt Temming. “De vijfenhalve ton, die we jaarlijks aan rijkssubsidie krijgen, hebben we hard nodig. Het is éénderde van onze totale begroting.”

De overheidsbijdrage komt van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, omdat het Overloonse museum een belangrijke bijdrage levert aan jeugdvoorlichting, met name op het gebied van racisme, discriminatie en fascisme. “In 1989 begon het toenmalige WVC met de geldelijke steun”, herinnert Temming zich. “Dat ministerie zag in ons het instrument om die verschijnselen op brede schaal onder de aandacht van jongeren te brengen. We zijn er heel professioneel mee bezig geweest. Uit een evaluatie van een onafhankelijk college is gebleken, dat we de rijksbijdrage goed gebruikten. Het project werd zelfs een gouden greep genoemd. Toch komt er nu vermoedelijk een einde aan.”

Het oorlogsmuseum kreeg op 2 juli een brief onder ogen waarin minister Borst (WVS) de Tweede Kamer inlicht over “de toekomst van het jeudvoorlichtingsbeleid WO II-heden”. Borst schrijft daarin onder meer dat “de algemene museumfunctie ook aandachtsgebieden betreft die niet onder de noemer van jeugdvoorlichting vallen. De handhaving van deze situatie staat optimale benutting van de schaarse subsidiemiddelen in de weg.” Behalve Overloon krijgen nog vier instanties een bijdrage in het kader van de jeugdvoorlichting: de Anne Frank Stichting, het Verzetsmuseum Amsterdam, het Joods Historisch Museum en het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Borst schrijft dat ze voortaan “ook projecten van andere oorlogs- en verzetsmusea wil honoreren”. Een woordvoerder van VWS voegt daaraan toe dat Borst en de Tweede Kamer nog zullen discussiëren over de hoogte van het totale subsidiebedrag. “Het zou meer geld kunnen zijn dan tot nu toe het geval was”, stelt hij. “En ongetwijfeld volgt er een deskundig advies over hoeveel ieder project ontvangt.” In haar brief wijst Borst er ook op dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen volgende maand met een notitie komt met concrete maatregelen over een betere samenwerking op dit terrein tussen musea onderling en tussen musea en scholen.

In de praktijk zal het erop neerkomen, vreest directeur Temming van het oorlogsmuseum, dat de beschikbare overheidssteun over héél veel projecten wordt uitgesmeerd. “Wie uitstekende brieven kan schrijven over prachtige ideeën, komt voor de subsidie in aanmerking”, stelt hij. “Er zullen allerlei lieden zijn die lespakketten samenstellen met video's, die vervolgens ongelezen en ongezien op de planken van de scholen komen te liggen. Wat ons betreft, zonder de vijfenhalve ton overheidssteun moeten wij met het educatieve beleid stoppen. Het wordt dan onbetaalbaar, tenzij we van ons museum een pretpark maken met het thema oorlog.”

En dat is in zijn ogen onacceptabel op deze plaats in Overloon, waar van 26 september tot 16 oktober 1944 ongeveer 2.500 soldaten de dood vonden bij een tankslag tussen Duitsers, Engelsen en Amerikanen. “Ik moet er niet aan denken, attracties als tankje rijden in nagemaakte voertuigen”, valt M. de Jong, hoofd educatieve dienst van het oorlogsmuseum, haar baas bij. “Elders hebben ze van die wilde plannen gehad. In Berlijn, bijvoorbeeld, kon je in de Stasi-gevangenis logeren, daar werd je precies zo behandeld als de gevangenen van de Stasi. Nee, dat hoeft niet voor mij. Om in de huidige vorm te overleven hebben we ook aan sponsoring gedacht. Het lukt niet. Er dient zich wel eens een bedrijf dat ons wat geld wil geven, maar het wil onder geen voorwaarde dat zijn naam wordt genoemd. Het onderwerp, oorlog en vrede, is daarvoor te zwaar beladen.”

De rijksoverheid, herhaalt De Jong, heeft de taak bij te blijven springen. “Ook omdat ons museum een bijzondere positie inneemt. Het belicht niet een déél van de oorlog - de bevrijding van Groesbeek of zo - maar de hele bezetttingstijd. Wat is nu vijfenhalve ton voor Den Haag? Peanuts toch?” Overloon geeft de strijd nog niet op. Directeur Temming en de zijnen willen desnoods een lobby beginnen bij parlementariërs. Op zijn vroegst na het zomerreces, maar misschien pas in 1997, behandelt de Tweede Kamer de brief van minister Borst over “de toekomst van het jeugdvoorlichtingsbeleid WO II-heden”.