Gone with the Wind

Op 15 december 1939, op de kop af 75 jaar en een maand nadat de Noordelijke generaal Sherman Atlanta innam en in brand stak, stond de hoofdstad van Georgia opnieuw in het middelpunt van het nieuws.

De wereldpremière van de verfilming van Margaret Mitchells bestseller Gone with the Wind was een gebeurtenis van internationale allure; op het doek herleefde onder meer, in een gestileerde oranje vuurzee, de reuzenfik, die volgens de tussentitels het einde markeerde van het Oude Zuiden, een rijke cultuur 'gone with the wind' (de Nederlandse vertaling van de titel van boek en film, Gejaagd door de wind, zit er dus eigenlijk net naast).

De korte tijd later met negen Oscars onderscheiden film, een melodramatisch historisch epos van drie uur en drie kwartier, zou tot aan het begin van de jaren zeventig het grootste kassucces van Hollywood blijven, uitgedrukt in de opbrengst in niet voor inflatie gecorrigeerde dollars. Als men, tegen de gewoonte van de Amerikaanse filmindustrie in, het succes zou meten in bezoekersaantallen, dan zou Gone with the Wind waarschijnlijk nog steeds de grootste hit aller tijden zijn.

Het succes van Gone with the Wind roept vele vragen op. Wie was bijvoorbeeld de 'auteur' van een werkstuk dat vijf regisseurs - alleen Victor Fleming (1883-1949) wordt officieel vermeld - versleet, alsmede twaalf scenarioschrijvers, onder wie F. Scott Fitzgerald? Maakt achteraf vooral het werk van 'production designer' William Cameron Menzies de meeste indruk, producent David O. Selznick (1902-1965) heeft de beste papieren voor het geestelijk vaderschap.

Hoe kon trouwens het ongenuanceerd partij kiezen voor de verkeerde kant in de Amerikaanse Burgeroorlog, met inbegrip van verheerlijking van de goede oude tijd, marginalisering van de Afrikaans-Amerikaanse kant van het verhaal (elke slaaf siddert bij de gedachte aan de Yankees) en het belasteren van de Reconstructieperiode (waarin het Noorden een soort van Marshall-hulp bood aan het verwoeste Zuiden) voor zoete koek geslikt worden? De episode waarin de tweede echtgenoot van Scarlett O'Hara (Vivien Leigh) om het leven komt bij een klopjacht op zogenaamde Carpetbaggers, kan niets anders betekenen dan een ode aan de precies om deze reden opgerichte Ku Klux Klan. Kennelijk wist Gone with the Wind zijn reactionaire boodschap beter te verhullen dan een kwart eeuw eerder D.W. Griffith in Birth of a Nation.

Het grootste raadsel van de in picturaal opzicht nog steeds imposante film is echter de overtuigingskracht van het platte, bordkartonnen scenario, dat in twee delen uiteenvalt. Voor de pauze gaat het om de ineenstorting van een nobele beschaving, totdat Scarlett op de puinhopen van haar landgoed zweert dat ze nooit meer honger zal lijden. In het tweede deel maakt zij die belofte waar, door te liegen, bedriegen en stelen om haar materialistische doeleinden te verwezenlijken. Als de liefde van haar leven Rhett Butler (Clark Gable) in de laatste minuut de deur achter zich dichttrekt met de historische woorden: 'Frankly my dear, I don't give a damn!', kan ik hem slechts gelijk geven, ook als het om Gone with the Wind gaat. Maar in de epiloog richt Scarlett zich op de toekomst, met de bijna even historische woorden 'Tomorrow is another day'. Er zouden nog een paar mooie dagen volgen voor de verheerlijking van de feodale droom.