Clinton en Brecht

Weinig taferelen zijn onsmakelijker dan dat van de welgestelde die een arm mens de les leest en daarbij zijn eigen omvang als het goede voorbeeld toont. Brecht (of misschien een van zijn vriendinnen) heeft dat in zijn Driestuiversopera precies getroffen: “Ihr Herren, die uns lehrt wie man brav leben, und Sünde und Missetat vermeiden kann...”

Het lied gaat dan verder als een gezongen inleiding tot de noodzaak van de communistische herverdeling: “Zuerst müsst Ihr uns was zu fressen geben, dann könnt Ihr reden, damit fängt es an.” Goed beschouwd zijn daarmee al twee politiek-filosofische thema's door elkaar gehaald. In de eerste regels wordt het woord gericht tot “de heren” die in de deugdzaamheid die zij zichzelf toeschrijven de arme mensen voorhouden, braaf te zijn en hard te werken. Dan zullen die zien dat het vanzelf wel goed komt. In wat volgt wordt de stelling omgedraaid. Het eindigt met de beroemde regels: “Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral”.

De nieuwe, de verzorgingsstaat hervormende wet waarmee president Clinton de verkiezingen ingaat valt te beschouwen als een harde uitdrukking van het eerste thema. Wie niet werkt, wie hardnekkig de kans op werk blijft weigeren maar zich liever in het eindeloos incasseren van uitkeringen als een parasiet van de welwillende gemeenschap gedraagt, moet mores worden geleerd. Welfare, alle materiële steun van overheidswege, dient te worden beknot, aan een termijn te worden gebonden. Ongehuwde moeders, ingezetenen die niet de Amerikaanse nationaliteit hebben, langdurig werklozen, nog een aantal categorieën, zullen aan hun uitkeringen merken dat er een nieuwe wind waait. De staten zijn vrij om allerlei variaties aan te brengen, maar - zeggen de critici en de fervente tegenstanders van deze wet - daarmee wordt een miljoen mensen op zijn minst tot permanente armoede gedoemd.

In hun praktische en filosofische rechtvaardiging wijzen de voorstanders er dan op dat het systeem van sociale verzorging “uit de hand is gelopen” en dat het de werkende mensen miljoenen kost. Dàt is de ware onrechtvaardigheid. Deze wet zal binnen zes jaar de overheid 55 miljard dollar besparen, maar misschien nog belangrijker is het dat hiermee een eind komt aan een grootschalig parasitisme en dat in plaats daarvan de staatsprofiteurs zullen worden gedwongen zich weer als verantwoordelijke, zelfstandige mensen te gedragen. Goed geteld zijn dit vier vliegen in één klap.

De wet valt uit te leggen als een zware manoeuvre in de campagne. Een frontale aanval op de Republikeinen die traditioneel anders denken over de rol van de overheid. In de strijd beloven de kandidaten meer dan ze zich later kunnen herinneren. Dat Clinton met deze wet een niet eens zo gematigde Republikein zal afbluffen valt misschien ook nog uit de campagne te verklaren. Maar, zeggen de onthutste critici onder de Democraten, het is meer: een radicale wending ten opzichte van de Democratische traditie, de van F.D. Roosevelt met zijn New Deal en Lyndon Johnsons Great Society. Het is een breuk.

Daarvoor is meer nodig dan de opwinding van een verkiezingscampagne. Is dat een “wending in de tijdgeest”, een terugkeer naar het ouderwetse onversneden individualisme dat in Amerika toch al sterkere wortels heeft dan in Europa? De omstandigheden zijn er gunstig voor. In tegenstelling tot de toestand onder het bewind van Reagan, toen de nieuwe morgenstond door de copywriters van de politiek werd uitgeroepen, komt nu vanzelf de zon op. De werkgelegenheid groeit, men koestert zich in een nieuw internationaal aanzien. Niet alleen zijn de Koude Oorlog en de Golfoorlog gewonnen. Daarna heeft het land, achteraf gezien bijna spelenderwijs, afgerekend met de Japanse economische dreiging en datgene wat men voor een Europees gevaar hield. De president, vier jaar geleden begonnen als een wankele kandidaat, heeft zich door alle gevaren heen geslingerd en begint in deze campagne het ware presidentiële zelfvertrouwen te tonen. Maar bovenal is de nieuwe dageraad het resultaat van, of synoniem met, de vrije markt. De politieke filosofie komt voort uit de economische theorie van de vrije markt. Tot die filosofie horen de denkbeelden die ten grondslag liggen aan de hervorming van het sociaal verzorgingssysteem.

Het is een aanstekelijk voorbeeld. Ook in de Westeuropese verzorgingsstaten kwellen de bureaucratie van het systeem en de stijgende kosten. Ook hier ontdekt men, weliswaar geremd door andere tradities dan de Amerikaanse, allerlei vijanden van een “gezonde samenleving”, en vooral herontdekt men datgene wat een constructiefout van de verzorgingsstaat zou zijn: dat het systeem sluipenderwijs de mensen ontdoet van hun besef van persoonlijke verantwoordelijkheid. Daaruit ontstaat dan een zich gestaag uitbreidend parasitisme op uitkeringen en zo wordt “de vrije markt” onmogelijk: want die bestaat immers bij de gratie van het constructief individualisme, het voltooid besef van persoonlijke verantwoordelijkheid. In de verzorgingsstaat voltooit de vicieuze cirkel zichzelf. Dit is uiteindelijk de redenering die aan deze wet van Clinton ten grondslag ligt en die ook in Europa aan bijval wint.

De laatste vraag - die niet wordt gesteld - is in hoeverre de mensen in een maatschappij van de vrije markt nog meester zijn over hun eigen lot. Wie worden door opvoeding, onderwijs, welstand vrijwel automatisch in staat gesteld het mens-ideaal van dit ultraliberalisme te bereiken? Wie moeten het doen met het voorbeeld van deze deugdzaamheid zonder te hopen dat ooit te kunnen volgen, waarna ze, in gebreke gesteld, worden veracht of gestraft?

De discussie is al eens gevoerd, kort na de oorlog toen als reactie op de grote crisis, de Westerse verzorgingsstaten werden opgebouwd. Toen gebeurde dat in een samenleving van armoede. In een halve eeuw is veel veranderd. Het debat heeft nu plaats onder omstandigheden van relatieve rijkdom. Het gaat over een van de belangrijkste grondslagen van onze politiek. Hoe, met welke argumenten men het voert is ook een kwestie van smaak. Dat de verzorgingsstaat veel nadelen heeft weet iedereen. Maar er was één voordeel: dat de burgerij gespaard bleef voor dit voorbeeld van geslaagd burgerdom dat de omvang van zijn buik als het bewijs van zijn deugd toont. Ik beschrijf het nu in ouderwetse bewoordingen, denkend aan de manier waarop Albert Hahn het heeft getekend.