Afscheid van het Zevengebergte

Onze correspondenten berichten met nieuwsgierige verwondering en per definitie met enige afstandelijkheid over hun land of gebied. Deze zomer leggen ze hun journalistieke distantie af en onthullen ze hun favoriete toevluchtsoord.

Het miezert deze zaterdagochtend, het bos heeft weer de groenen van een paar weken geleden. Af en toe hoor je natte autobanden op de nabije A-3 (Keulen-Frankfort) voorbijfluiten. Overigens is het hier met recht doodstil. Boxer Bas, onze De Gaay Fortman in Duitsland, zit vast aan het hek. Houdt zijn kop scheef en kijkt alsof hij wil zeggen: het is altijd hetzelfde met jou, zo wordt het nooit die echte weekend-wandeling die me was beloofd. We wonen hier in de buurt en Bas kent en wantrouwt mijn gewoontes.

Hans Stollenwerk is bijna 16 geworden. Hij werd in 1929 geboren en ligt onder een van de 1871 kruisen van een soldatenkerkhof in Ittenbach, een dorp dat bij Königswinter hoort maar aan de andere, oostelijke, kant van het Zevengebergte ligt. Fritz Pfeiffer, Gert Koch en Heinz Haller liggen vlak bij, zij zijn in 1927 geboren en werden 17. Bij het kruis van Heinz Haller staat een vers bosje bloemen. Van een moeder of een vader? Kan haast niet, zal van een broer of zuster zijn, we zijn al 51 jaar later.

Een paar rijen verder liggen Albert Lonoien (1881-1945), Wilhelm Beste (1885-1945), Richard Horn (1885-1945), Adolf Palpke (1893-1945) en Georg Palpke (1890-1945). Wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal - oude mannen van de Volkssturm of grote kinderen, misschien fanatieke Hitler-jongens - in maart '45 nog even tegen een kogel of granaat aan mochten lopen. Ruim 2.000 van zulke kerkhoven, grotere en kleinere, kent alleen Noordrijn-Westfalen al.

Hadden de Führer en Goebbels niet gezegd dat een volk dat de (hun) oorlog niet kon winnen het niet verdiende om te overleven? Zodat, ook aan het Westelijke front, najaar 1944 en begin '45 in een allang verloren oorlog nog het ene na het andere Duitse wanhoopsoffensief volgde? Zodat Hitler en Goebbels er zich posthuum op konden beroepen dat zij, door hun Derde Rijk niet eerder te laten capituleren, de intocht van het Rode Leger in Berlijn en het ontstaan van de latere DDR mogelijk hadden gemaakt? En zodat de schoorstenen van Auschwitz nog langer konden blijven roken?

Er is in en rondom het Zevengebergte voorjaar 1945 zwaar gevochten. Die mannen die hier liggen, oorspronkelijk waren het er 5.400, waren slecht geoefend en bewapend. Ze hadden geen kans tegen de moderne gemotoriseerde divisies van de oprukkende Amerikanen. Maar niettemin, een raadsel in de laatste fase van Hitlers georganiseerde waanzin, vochten zij vaak als gekken om de dorpen en heuvels in het Zevengebergte. De Löwenberg werd in drie weken van weerskanten vijfmaal veroverd, de drie kilometer verder oprijzende Ölberg vier keer, 422 Duitsers en ruim 1100 Amerikanen sneuvelden alleen al op deze paar vierkante kilometers. Een nieuwe generatie vertrouwde familienamen - hier in de buurt zijn er nogal wat die Haags of Haacks, Halm, Hönscheid of Dahm heten - kon dus worden gebeiteld in de gedenkplaten van de omliggende dorpen en gehuchten. De teksten erboven brachten hun dood 125 en 70 jaar geleden nog in verband met de eer en de belangen van het vaderland, die uit '45 hopen op eeuwige vrede. De wandelaar loopt hier, als hij oplet, door Duitse geschiedenis. Uit Hüscheid, even verderop, sneuvelt een lid van de familie Haacks als soldaat eind 1870, in de Eerste Wereldoorlog vallen er wéér twee, op 11 en 25 maart '45 nog eens twee. Gedenkstenen in Ittenbach, Röttgen en Thomasberg, een paar kilometer verder, laten zien dat de families Hönscheid, Halm en Dahm iets soortgelijks is overkomen. Bij zulke monumentjes, of bij hun equivalenten in de buurt van Metz, Sedan of Verdun, begrijp je de waarde van de as Bonn-Parijs ineens veel beter.

Af en toe, op dagen dat Bas geheel zijn zin krijgt, lopen we dwars door het Zevengebergte in de richting van de Rijn. We proberen dan zuidelijke routes naar een toeristische trekpleister als de Drachenfels, of naar het tamelijk vreselijke Königswinter zelf (zie ook: Volendam, Valkenburg en Monschau), te mijden. Aardiger is bijvoorbeeld een noordelijker route, langs eerdergenoemde Ölberg, met 461 meter de hoogste “berg” van het gebied. Langs de paden staan grote borden waarop de Oberstadtdirektor meedeelt wat mens en hond er allemaal niet mogen. En borden waarop de Oberförster vertelt wat er in dit Europese natuurgebied aan bomen en planten te zien is. Wie op de top van de Ölberg tevreden is over zichzelf, kan een beloning halen in een restaurant dat alleen te voet te bereiken valt.

Vandaar kan men verder, bijvoorbeeld langs een vele eeuwen oude, kronkelende Bittweg, een vroegere bedevaart- en processieroute, naar de Petersberg, die tot 1800 Stromberg heette en waar cisterziënzers een klooster en kapel hadden. Tegenwoordig legt de Duitse regering er hoge buitenlandse gasten (Elisabeth II, Gorbatsjov, Jeltsin, Soeharto, Rabin) te slapen in een hotel dat voor veel geld werd gemoderniseerd, namelijk voor 140 in plaats van de geraamde 70 miljoen mark. Het werd in 1990 in zijn huidige staat opgeleverd, een jaar voor de Bondsdag besloot om Berlijn ook de politieke hoofdstad van het verenigde Duitsland te laten zijn.

Onvoorziene ontwikkeling. Nu staat deze horecatieve regeringstempel daar op 331 meter hoogte wirtschafswunderlich overdadig te pronken in afwachting van toekomstige leegstand of een koper die het klaarspeelt met 80 hotelbedden uit zijn kosten te komen. Met buitengewoon mooi uitzicht over de Rijn, dat wel, en op het aan de overkant gelegen hotel Dreesen (Bad Godesberg), waar Hitler in de jaren dertig graag verkeerde. En waar hij - Duitse geschiedenis weer - in september 1938 de arme Britse premier Chamberlain op het hoogtepunt van de Südentencrisis bruskeerde door hem, gast op de Petersberg, onder SS-geleide de Rijn te laten oversteken. Hier vertrok Chamberlain woedend nadat Hitler hem een concept met dictaatwaarde voorgelegd had van het een paar weken later in het Beierse Berchtesgaden alsnog bezegelde Verdrag van München, dat de nekslag was voor het toenmalige Tsjechoslowakije.

Op de Petersberg huisden na de Tweede Wereldoorlog de hoge commissarissen van de Westelijke geallieerden. Zij maakten er mee dat Konrad Adenauer, de gewezen Keulse burgemeester en latere architect en kanselier van de Bondsrepubliek, al bij zijn eerste bezoek in 1949 de afwijzende protocollaire voorschriften van de Siegermächte negeerde door met een nog ongedacht zelfvertrouwen hun loper op te stappen. Duitse geschiedenis. Binnenkort mogen Bas en ik weer langs Hollandse sloten, daar zullen we nog van opkijken.

    • J.M. Bik