Wortels

Er zijn dagen dat je van alles meemaakt. Je leest het nieuwste artikel van Rorty; je hebt net voor je verjaardag de achtste symfonie van Sjostakovitsj gekregen, nou heb je ze allemaal; je brengt een middag door aan het zonnige Paterswoldse meer en 's avonds is er een feestje, praat je met allerlei plezierige mensen, nieuwe mensen, misschien wel toekomstige vrienden; je ziet het Gasuniegebouw voor het eerst van binnen: met het hoofd in de nek kijk je omhoog in de kleurige, licht spiralende ruggegraat van een gebouw dat geen einde lijkt te hebben en je welhaast de hemel in voert.

En of dat niet genoeg is: over twee dagen vlieg je naar Zwitserland en over drie maanden naar Los Angeles en toch... er zijn dagen dat ik er de voorkeur aan geef achteruit te reizen in het leven en mij over te geven aan allerlei dierbare herinneringen. Aan vroeger.

Zoals die koude februaridag in 1986. Over de Fluessen rijdt een zestal schaatsers als aan een ketting geregen. Het vriest eindelijk weer 's dat het kraakt. De zon is juist opgekomen en werpt lange schaduwen over de oranje sneeuw - naar de overzijde. Daar, in de verte, achter het dode riet, staan twee kleine, vaalgele driehoeken, twee boerderijen. Ik denk dat het de linker is - ja, het is de linker, waar 75 jaar terug een meisje ter wereld kwam dat per se niet met een boerenzoon wilde trouwen, geen boerin wilde worden en trouwde met een kwekeling-met-acte uit Koudum, die niet in Friesland ('een dak boven Koudum en het is één armhuis') wilde blijven wonen en in den vreemde een zoon kreeg die 50 jaar later, op een koude februaridag, in dit uiterst vlakke land voor de afgrond staat van zijn bestaan. Eén verkeerde beweging, daar aan de overzijde, en ik zal nimmer hebben geleefd.

Een oudoom van me heeft ooit een stamboom van de Krols opgemaakt, onze Krols dan, die diep in het verleden eindigt in drank en anonimiteit. Huisschilder waren ze, van vader op zoon, 'verver', met het talent, elke keer weer, een 'flinke vrouw' te trouwen. Op deze manier bekeken bestaat mijn stamboom uit een rechte lijn van monosyllabische Krols: Jan Krol, Kees Krol, Piet Krol, met vrouwelijke zijtakken die ook nauwelijks meer dan Glas heetten, Kruis of Vlieg.

In Assen woont een man, Bertram heet hij meen ik, die er na jaren onderzoek en speurwerk in geslaagd is aan te tonen dat één van zijn voorzaten... Karel de Grote geweest is. Wat een diepte krijgt je bestaan dan, als je dat weet. Het is niet onmogelijk dat ook ik, en mijn hele familie, aan Karel de Grote zijn geparenteerd ('Krol' komt immers van 'Carolus'), maar als je dat niet kunt aantonen, dan heeft die aanspraak geen enkele waarde. Mijn geschiedenis gaat niet verder dan tot 1700, tenminste als je naar de mannelijke lijn kijkt. Je hebt natuurlijk vele lijnen, vele wortels in het verleden.

De paar druppels blauw bloed die mij aanwijsbaar door de aderen vloeien komen van jonkvrouw Gerarda Maria Hanekamp van Harinxsma thoe Heech. Zij trouwde in 1793 met de huisschilder Jan Jansz Krol van Lemmer. Het geslacht Harinxsma thoe Heech gaat terug tot 1402 en is bij mijn weten heden ten dage uitgestorven, we hebben er in elk geval geen contact meer mee.

Mijn moeder was een Groenhof - wat me niet een echt Friese naam lijkt. Haar vader, Brugt Groenhof, een kleine, bedrijvige, donkere man, was de zoon van 'Zwarte Christ', avonturier en laatstelijk beurtschipper op Leeuwarden.

Geparenteerd zijn we ook aan de Dokkums. Stoffen, band en garen, gereformeerd en in goeden doen - door de jaren heen. (Niet te verwarren met de Van Dokkums.) Mijn grootmoeder aan vaders kant was een Dokkum, Idtskje. De eerste bekende Dokkum, Jan Jans, leefde omstreeks 1720 in Sandfirden, bij Heeg, aan de Fluessen. Als je dat dorpje bezoekt, kom je uit bij een kerkje, daar loop je omheen en dan loop je dezelfde weg weer terug. Het gehucht ligt aan een doodlopende weg, 'het einde van de wereld' en misschien ook wel het begin ervan - als daar je wortels liggen.

Sandfirden heb ik 's bezocht in 1966, toen mijn tante Gelland, 'muoike Gelland', nog leefde. Ze was blij met mijn komst, die ik per brief had aangekondigd. Dan heb je 's wat anders om aan te denken, legde ze uit. Ik was het pad op gekomen, ze stond al voor het raam en wuifde. Ik kreeg een kopje thee en we praatten wat over vroeger. Zo heel veel bijzonders wist ze zich niet te herinneren. Als er niet veel gepasseerd is, is het ook gauw verteld. Over zo'n lange tijd krijgen de gebeurtenissen vaak een algemene vorm. Gaf niet. Het was er gezellig en vertrouwd. Nog steeds dezelfde dingen aan de muur. Het heideveld (ook in Friesland bestaat de romantiek uit heide en schapen), het pijpenrekje en de gravure van de eenzame wandelaar, met staf en knapzak, hoed, en een kalebas aan de gordel. Daaronder, in schrijfletters, “Waarheen, pelgrim,/ waarheen gaat gij?” Ik voel opnieuw een vleug van het snijdende verlangen, toen, ook pelgrim te worden en door de wereld te trekken, 'over bergen en door dalen'. Muoike Gelland nam er geen voorbeeld aan. Ze ging hoogstens naar Heeg, op de fiets, en één keer per jaar op haar paasbest naar haar zuster in Sneek. Een cliché kan niet geloofwaardiger zijn.

De verhalen over m'n avonturen in Amerika en Afrika brachten haar niettemin in vervoering, die wilde ze wel horen.

'En heb je daar zelf auto gereden?'

Handen in elkaar geslagen, tegen de platte borst.

Ja, ik had er zelfs mee door rivieren gereden en vastgezeten. En veel negers waren daar zeker? Ontzettend veel negers, verzekerde ik haar. En bergen. En indianen, midden tussen de indianen had ik gezeten.

“Nou, wat heb jij veel gezien! Ik heb haast niks gezien. Straks ben ik dood en dan heb ik niks gezien.”

Toen ik afscheid had genomen en wuivend het pad afliep, liep ik ook nog een keer weer terug, het pad op - omdat we dat hadden afgesproken - ze wilde het fijne moment dat ze bezoek kreeg nog een keer extra beleven, dus ik kwam wuivend weer het pad op en nog een derde keer en dat was het.

Toen ze overleed, een paar jaar later, was er sprake van dat ze driehonderdduizend gulden bezat, allemaal achter het behang verborgen. Maar dit werd ten stelligste door de familie tegengesproken, want muoike Gelland was een fatsoenlijke vrouw die beslist niet haar geld zo raar achter het behang verstopt hield. Hoe dan ook, ze heeft die drie ton geheel aan de kerk geschonken.