Tijgertijd en spelen met wolkenkinderen

Janosch, Hoe kleine Tijger leert tellen. Vert. Suzanne Braam, Uitg. Van Holkema en Warendorf. Prijs ƒ 22,90. John Burmingham, Wolkenland. Vert. Martine Schaap, Uitg. Van Holkema en Warendorf. Prijs ƒ 27,50.

Kleine Beer en kleine Tijger zijn een bekend prentenboekenpaar van de Duitse tekenaar en schrijver Janosch. Samen met de gestreepte houten tijgereend op wieltjes delen zij een huis, waar altijd weer grote pannen vol paddestoelen op het ouderwetse fornuis staan en gedoucht wordt onder een gieter, die aan een dun draadje aan het plafond hangt. Het is er goed toeven, zoals Beer en Tijger al vaststelden in O, wat mooi is Panama (1978), toen ze na een lange reis op zoek naar het paradijs in hun eigen huis terecht kwamen.

In het onlangs verschenen Hoe kleine Tijger leert tellen zijn ze wat praktischer ingesteld. Beer staat erop dat Tijger tellen leert, 'want wie niet tellen kan, is reddeloos verloren!' Het leerproces begint als volgt: 'Jij bent 1 tijger en ik ben 1 beer.' 'En hoeveel is de tijgereend?' vroeg kleine Tijger. 'Eerst komt de 2. Je hebt 2 ogen en 2 oren. Jij en ik zijn samen 2. Bijna alles op de wereld is zowat 2. Zeg eens 2!' '2,' zei kleine Tijger. 'En hoeveel is nou die tijgereend?' '3,' riep kleine Beer.'

Aan het einde van het boek kan Tijger al tot 51 tellen. Of kinderen dat dan ook kunnen, is de vraag, want de lesmethode van kleine Beer is, zacht uitgedrukt, wel wat haastig en rommelig. Maar de lezer kan in ieder geval mee oefenen en naast elke tekening 'in dit dure boek het getal opschrijven dat hij geteld heeft.' Hoe kleine Tijger leert tellen kost 22 gulden en 90 cent en dat is dit geestige prentenboek meer dan waard. Zowel de tekeningen als de tekst barsten van Janosch' onnavolgbare humor. Dan weer laat onderaan de pagina een kikker op rolschaatsen, die verder nergens iets mee te maken heeft, zich voort trekken door de tijgereend, dan weer bespeelt een eend hartstochtelijk met geloken ogen een trekharmonika. En uiteindelijk zal in ieder geval niemand onder de eenendertig het met de schrijver oneens kunnen zijn: 'Op een dag zullen we 31 jaar zijn en zeggen: 'Toen ik ooit met kleine Tijger leerde tellen, heb ik dit prachtige getal in dit prachtige boek geschreven - kijk maar!' Zo zal het gaan. Een leuke herinnering aan een mooie tijgertijd.'

Veel dromeriger van sfeer maar al even prachtig is Wolkenland van John Burningham, die voor zijn eerdere prentenboeken, net als Janosch, al vele malen bekroond is. Hij combineert op de grote platen in zijn nieuwe boek verrassend foto's, tekeningen en collages. Zijn poppetjes (getekend met kleurpotlood) met hun eenvoudige gezichten, twee stipjes als ogen en een streepje voor de neus en de mond, maken een wandeling door een majestueus landschap. Grimmige zwarte bergen (geschilderd) tekenen zich af tegen een heldere wolkenlucht (gefotografeerd), waarin de zon net aan het ondergaan is.

Het jongetje Albert is met zijn vader en moeder op weg naar beneden, maar valt van een hoge rots recht de wolken in. Zijn ouders blijven snikkend achter, maar hem wacht een warm welkom van 'de wolkenkinderen.' Zorgzaam leggen ze hem op een wattig wolkje te slapen, om de volgende dag samen urenlang door de witte massa's te stuiteren. Als de lucht betrekt maken ze muziek. De bliksems schieten uit hun trommels. Er is nog veel meer te doen in de lucht. In donkere regenwolken kan gezwommen en gegleden worden, de roze lijfjes en blonde haren van de kinderen steken scherp af tegen de dreigende hemel, ze schilderen door hun penseel in de kleuren van de regenboog te dopen en organiseren een race-wedstrijd op schapenwolkjes.

Burmingham heeft alles wat er zoal gebeurt of zou kunnen gebeuren boven, tussen en in de wolken speels en origineel gebruikt. Albert houdt de anderen niet bij tijdens de wolkenrace: 'Plotseling klonk er een verschrikkelijk lawaai. Albert voelde een koude luchtstroom die hem bijna van zijn wolk trok. Gelukkig liet het vliegtuig een prachtig paadje achter, zodat Albert naar de andere kinderen toe kon lopen.'

Albert vermaakt zich wel, zo hoog in de lucht, maar krijgt uiteindelijk natuurlijk toch heimwee en mag van 'de koningin' terug gaan naar de mensenwereld. Ze fluistert wat met de wind, organiseert een feestmaal waar de maan ook aanzit met zijn vriendelijke, koele ronde hoofd, prevelt een toverspreuk en dan is Albert opeens weer thuis. Hij wordt wakker in zijn eigen kamer, aan weerszijden van zijn bed zitten zijn opgeluchte ouders. Zijn lakens zijn wit als sneeuw, of als wolken.