Revolutie der goede bedoelingen

Nog even over Frances Fukuyama. Twee weken geleden (23 juli) nam ik het hier voor deze Amerikaan op tegen verkeerde interpretaties van zijn bekende stellingen dat het einde van de Koude Oorlog de overwinning van het liberalisme te zien zou hebben gegeven en het einde van de geschiedenis zou hebben betekend.

Liberalisme, zo probeerde ik duidelijk te maken, was een verkeerde vertaling van het Amerikaanse liberalism, dat een veel wijder begrip is en de scala van sociaal-democratie tot en met democratisch conservatisme bestrijkt. Met einde van de geschiedenis had Fukuyama niet het einde van de geschiedenis als aaneenschakeling van gebeurtenissen bedoeld, maar het einde van geschiedenis als politiek discours: er was, na de val van het communisme, geen ideologie met universele pretenties meer over die in staat was de beginselen van de democratische rechtsstaat uit te dagen.

Maar ja, het is nu eenmaal gemakkelijk om, uit gebrek aan kennis (zullen we maar zeggen), de ene stelling te verdraaien tot 'overwinning van de VVD' (hoewel dat in Nederland, tijdelijk althans, toevallig klopt) en de andere stelling belachelijk te maken door te wijzen naar de dramatische gebeurtenissen die zich na de val van de Muur overal hebben voorgedaan en nog voordoen. Zaterdag nog schreef een recensent in de Volkskrant: “De geschiedenis, door Fukuyama geëindigd verklaard, lijkt op het punt te staan opnieuw te beginnen”, en daarbij bedoelde die recensent niet, zoals Fukuyama, de geschiedenis als discours.

Deze apologie betekent evenwel niet dat ik het over de hele linie met Fukuyama eens ben. Uit zijn stellingen, die ik op zichzelf juist acht, trekt hij de conclusie dat “er een fundamenteel proces aan de gang is dat een gemeenschappelijk ontwikkelingspatroon aan alle (zijn cursivering) menselijke samenlevingen oplegt - kortom, iets wat op een Algemene Geschiedenis der mensheid lijkt in de richting van een liberal democratie”.

Daar nu geloof ik niets van. Ik ben wel bereid aan te nemen dat het economisch liberalisme (en nu gebruik ik dit woord in een betekenis die zowel voor Europeanen als Amerikanen ongeveer gelijk is) over de hele wereld - tot in het communistische China toe - aan het zegevieren is. Ten goede of ten kwade - dat laat ik in het midden.

Maar geldt dit ook voor het politieke beginsel van de Westerse democratie (die onder de term liberalism gevangen kan worden)? Neem Afrika bijvoorbeeld: in het grootste deel van dit werelddeel gelden de normen van de stam, niet van de al dan niet democratische staat (die een Westers importprodukt is). Het is naar de stam dat de eerste loyaliteiten uitgaan - de stam waarvan het stamhoofd of een raad van ouderen (al een soort democratie) de absolute, door ieder stamlid aanvaarde macht heeft.

Goed is wat de stam ten voordele strekt. Vanuit dit beginsel krijgt wat wij nepotisme en corruptie noemen een heel ander aspect. Het wordt normaal gevonden dat degenen die aan de macht zijn, zichzelf en hun naasten verrijken. (Dat is trouwens een praktijk die niet zo ver van onze zuidgrens algemeen is: denk aan de Parijse burgemeesters die hun familieleden luxeflats tegen een goedkope huur ter beschikking stelden.)

We moeten er ons geen illusies over maken dat het met het gros van de ontwikkelingsgelden en -goederen niet dezelfde kant op gaat. Soms worden door de machthebbers hongersnoden in bepaalde gebieden (bewoond door andere stammen) gestimuleerd, teneinde Westerse noodhulp op gang te krijgen, waarvan zij dan weer het meeste afromen. Hulp wordt gewoon als handelswaar gezien.

Dat is natuurlijk erg verkeerd - althans in onze ogen. Maar niet in die van de betrokken volken, in wier culturen begrippen als liefdadigheid en medemenselijkheid niet leven (ook niet wanneer zij, zoals in Rwanda en Burundi, voor bijna honderd procent rooms-katholiek zijn). Zij aanvaarden die hulp natuurlijk graag, maar begrijpen er de bedoelingen niet van.

Die bedoelingen liggen daarentegen diep verankerd in onze cultuur - al is onze praktijk er vaak ook mee in strijd. Onze uit die bedoelingen voortgekomen pogingen deze volken onze normen - zoals democratie, mensenrechten, good governance, onomkoopbaarheid - op te leggen en hen in onze rijkdommen te laten delen, hebben, omdat zij in een heel andere bodem terechtkomen, vaak het averechts gevolg dat zij bestaande vormen van samenleving (ook tussen stammen onderling) ontwrichten. Westerse democraten worden zij er niet van.

Wat dat betreft is de filosofie van de ontwikkelingssamenwerking niet verschillend van die van het 'ethisch imperialisme', dat vanaf de eeuwwisseling in Nederlands-Indië gold. Zij is er zelfs een voortzetting van. Ten grondslag aan beider strevingen liggen goede bedoelingen, waaruit ook wel iets goeds is voortgekomen (vooral in Indië), maar die niet hebben geleid, niet hebben kunnen leiden, tot democratie.

Beide maken ook deel uit van de grote stroming van het liberalisme (in de wijdste zin van het woord), dat de verheffing der volken tot doel heeft, maar in de praktijk hen vaak van hun wortels vervreemdt. Daartegenover stonden die conservatieven die, niet uitsluitend met slechte bedoelingen, die volken in hun waarden wilden laten. De adatrechtgeleerde Van Vollenhoven was een hunner, hoewel hij veelal door de progressieven als een der hunnen wordt opgeëist.

Er is geen reden om over deze ontwikkeling te treuren. Er zit iets onvermijdelijks in, zeker als we, met Fukuyama, de overwinning van liberalism, ook in zijn politieke manifestatie, als onvermijdelijk zien. Maar wat onvermijdelijk is, is niet noodzakelijkerwijs altijd goed voor iedereen. Dat is wat Fukuyama, als optimistische Amerikaan, over het hoofd lijkt te zien.

PS: Na bovenstaande geschreven te hebben las ik toevallig in het dagboek van Willem de Clercq (1795-1844) dit: “De filanthropie met edele oogmerken wordt dikwijls wreed in de uitvoering.”