Naaiatelier in museum roept kortstondige schaamte op

Tentoonstelling: Jens Haaning; Middelburg, Summer 1996. De Vleeshal, Markt, Middelburg. Di. t/m zo. 13-17u. T/m 26 augustus.

De toeschouwer die deze zomer onvoorbereid de Vleeshal in Middelburg binnenloopt, zal een fractie van een seconde denken dat hij in de verkeerde ruimte is beland. De statige, oude hal is nauwelijks nog te herkennen. Plotseling, alsof het uit het heelal is neergedaald, blijkt er een naai-atelier te zijn gevestigd. De ruimte staat vol met dozen, er liggen stapels wit, glanzend katoen op de grond, aan het plafond bungelen tl-bakken aan lange draden, en uit twee luidsprekers aan de wand galmt luidruchtige Turkse muziek. Daartussendoor lopen de werknemers: vier Turkse of Iraanse mannen (het is zaterdagmiddag, low shift) die achter naaimachines wasmerkjes zitten in te naaien en met luide ploffen dozen vol theedoeken op de grond laten vallen - ze werken stevig door.

Je loopt naar binnen, werpt een paar blikken op hun werkzaamheden en je schaamt je kapot.

Natuurlijk is zoiets in een dergelijke zaal, een museumzaal, al veel vaker vertoont. Sinds het einde van de jaren zestig is er al zoveel werkelijkheid het museum binnengehaald dat je als toeschouwer onmiddellijk in termen van beeldende kunst begint te redeneren: wat je ook ziet, in een museum bestaat de gewone werkelijkheid niet meer.

Dat neemt niet weg dat je je schaamt, in de Vleeshal, in de eerste plaats omdat het kunstwerk zo nadrukkelijk terugkijkt. Je voelt je een decadente toeschouwer die het zich kan veroorloven rond te lopen en toe te kijken terwijl andere mensen werken.

Maar nog erger is het gevoel dat je aapjes in de dierentuin aan het kijken bent, dat de mannen door de situatie - hun werk - gedwongen worden door te gaan, terwijl de toeschouwer zich aan hen kan vergapen.

Nu is gêne een verwarrende emotie op tentoonstellingen voor beeldende kunst. Het kàn een goed teken zijn - dat het niet koud van je afglijdt, dat je erdoor in onzekerheid wordt gebracht, dat het getoonde kortom in staat is emoties op te roepen. Maar zulke verwarring is ook een alibi voor slechte kunstenaars. 'Het laat je tenminste niet koud', zeggen ze dan.

Pas als je een tijdje door de Vleeshal loopt en de lange snijtafels bekijkt, tuurt naar de enorme strijkplanken, en een stiekeme blik over de schouder van de mannen achter de naaimachines hebt geworpen, besef je dat kunstenaar Jens Haaning van die gêne waar je als toeschouwer door wordt overvallen, geen enkele last heeft. Híj heeft er geen probleem mee om vier Turkse mannen als materiaal te gebruiken. Zoals andere kunstenaars aluminium gebruiken, of verf, of toiletpotten, gebruikt Haaning mensen om zijn idee uit te voeren. Wat zal hij tegen ze gezegd hebben? Dat hij duidelijk wil maken hoe de werknemers, illegale werknemers misschien wel, in de textiel worden uitgebuit? Dat hij de toeschouwers van een andere werkelijkheid bewust wil maken? Of zal hij het simpelweg hebben gelaten bij de mededeling dat het kunst is? Hoe langer je zo doorredeneert, hoe moeilijker het wordt om niet te denken dat Haaning zich gedraagt als een dompteur die als nieuwe act vier Turkse of Iraanse zeeleeuwen heeft opgedoken.

Natuurlijk schermt de kunstenaar met nobele bedoelingen. In het persbericht wordt gesproken van het 'testen van sociale relaties' en wordt een vergelijking getrokken met de negentiende-eeuwse schilder Millet, die het leven van boeren en arbeiders van die dagen schilderde. Voor een negentiende-eeuwse bourgeois zal een zaaier van Millet misschien een confronterend beeld zijn geweest, maar wie aan het einde van de twintigste eeuw, met al zijn televisies en journaals en actualiteitenrubrieken denkt dat-ie zo'n statement nog eens kan herhalen, kun je op zijn minst onbenullig noemen.

Daar komt nog bij dat Haaning niets toevoegt aan de werkelijkheid die we iedere dag op televisie kunnen zien. Waar goede confronterende kunst de werkelijkheid zo vervormt dat je hem als toeschouwer als een boemerang weer in je gezicht krijgt, laat Haaning slechts zien wat we allang weten: het blijft bij zijn installatie veel te eenvoudig om de schouders op te halen en door te lopen.

En dus is alles wat rest bij Middelburg, Summer 1996 die fractie van een seconde dat je bij binnenkomst uit het veld bent geslagen. Dat moment duurt ongeveer even lang als wanneer je 's ochtends na het verlaten van je huis denkt dat je het gas vergeten bent uit te draaien - geen blikseminslag dus, hoogstens een vonkje van ongemak.