Levende aasvissen

Het artikel 'Visser woedend over verbod op 'gestresst' aasvisje' (30 juli), noopt ons tot de volgende reactie:

Er is nog nooit onderzoek gedaan gedaan naar stress of andere leedverschijnselen bij levende aasvissen. Het in het artikel genoemde onderzoek van prof.dr. F.J. Verheijen en dr. R.J.A. Buwalda uit 1988 ging over het gedrag onder laboratorium-omstandigheden van gehaakte en/of gedrilde karpers en of hieruit opgemaakt kon worden dat aan een hengel gevangen karpers stress, angst of pijn konden lijden. Voor een onderzoek met levende aasvissen werd indertijd geen toestemming gegeven.

Er is ons ook geen wetenschappelijk onderzoek bekend waarbij “scholen vis 'verkenners' uitsturen om informatie in te winnen over de 'plannen' van de roofvis”. 'Verkenners' en de vissen in de school reageren volgens het in NRC HANDELSBLAD genoemde onderzoek daarna adequaat op aankomend gevaar. Als dat inderdaad zo was, zouden roofvissen van de honger omkomen.

Het in een school zwemmen biedt vissen enige bescherming, omdat de kans dat een individuele vis door een roofvis gegrepen wordt, door het grote aantal prooivissen kleiner is. De bij een aanval uit elkaar stuivende vissen brengen sommige roofvissen bovendien in verwarring.

Bestaat de school uit karperachtigen dan zal de ongelukkige vis die tussen de kaken van een roofvis belandt, bij beschadiging door de tanden van die roofvis, een 'schrikstof' afscheiden die zijn soortgenoten alarmeert.

In het artikel over het verbod op levende aasvis wordt alleen verwezen naar de publicatie van Verheijen en Buwalda en de argumenten van de Dierenbescherming. Er wordt geen melding gemaakt van de open brief die drie wetenschappers (Bermond, Lohman en Vossen) naar aanleiding van het voorgenomen verbod op het vissen met levende aasvis aan de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hebben gestuurd. In die brief wijzen zij minister van Aartsen erop dat het ervaren van leed (angst, pijn of stress) bij vissen niet wetenschappelijk is aangetoond. Voor een verbod op het vissen met levende aasvis bestaat volgens hen geen wetenschappelijke onderbouwing.