'In de wijk Pijlsweerd wonen geen racisten'

Vrijdag sloopten bewoners van de wijk Pijlsweerd een woonhuis dat aan de familie Nicolic was toegewezen. Niet omdat het zigeuners zijn, zeggen omwonenden, maar om de straat gezellig te houden.

UTRECHT, 6 AUG. Dreigend staat Gojko Nicolic voor de veertienjarige Marieke in de gang van haar huis. Hij wil weten waarom ze op zigeuners heeft gescholden voor de camera's van de NOS. “Ik heb toch niks gezegd!” piept ze. Van haar bravoure van de televisie is weinig over. “Zigeuners horen hier niet”, had ze gezegd voor de puinhopen van het huis in de Utrechtse Zilvergeldstraat. Kapotgeslagen uit protest tegen de komst van Nicolic en zijn vriendin Sevda Gunduz.

“Zo, ik was bang joh”, zegt Marieke even later een beetje bibberig, als ze weer veilig tussen haar buurtgenoten staat. Ze weet, net als de rest van de wijk Pijlsweerd, welke buurtbewoners het huis aan de Zilvergeldstraat met mokers hebben gesloopt. Maar het zal nooit over haar lippen komen. “Ik verraad mijn vrienden niet”, zegt ze resoluut.

Afgelopen vrijdag, op klaarlichte dag, zijn de ramen van de Zilvergeldstraat nummer 55 ingegooid. De politie kwam om planken voor de ramen te timmeren. Toen de politie weg was, werden de sloopwerkzaamheden voortgezet. Het huis is zo toegetakeld dat vanuit de achtertuin het gat in de voorgevel te zien is. Minstens de helft van de pannen zijn van het dak getrokken en in de tuin gegooid. Daar vormen ze een dik, rood tapijt. De binnenmuren zijn uit het huis geslagen en op de vloer ligt een wirwar van buizen en puin.

Gisteren hebben de bewoners, het Woningbedrijf en de gemeente afgesproken dat er eens in de maand overleg komt over de wensen van de bewoners. De gemeente zal de vernieling aangeven bij de politie, die een 'diepgaand onderzoek' heeft aangekondigd. Nicolic krijgt een nieuw huis aangeboden, nadrukkelijk in dezelfde wijk. De instanties wensen niet te buigen voor de terreur van de buurtbewoners, maar het is de vraag of ze de zaak nog in de hand hebben. “De politie heeft dit zien aankomen, maar durfde niets te doen”, zegt een bewoner van de Zilvergeldstraat.

Voor de deur van het gehavende pand staat een delegatie mannen uit de wijk. Ze overschreeuwen elkaar in een opperbeste stemming. “We willen de buurt gezond houden. We moeten geen zigeuners naast ons. We hebben honderdvijftig handtekeningen tegen die lui opgehaald!” Een buurtbewoonster met gouden oorringen en donker permanent komt erbij staan. “Wij zijn geen racisten”, zegt ze fel. “Er wonen hier Turken en Marokkanen, en dat gaat prima. Maar die twee zigeuners moeten we niet. Ze geven overlast omdat ze binnen de kortste keren met z'n twintigen in dat huis gaan wonen. Waar ze nu zitten, doen ze dat ook.” Nicolic woont nu nog een straat verderop, bij zijn vader.

Gojko Nicolic, de man om wie het allemaal gaat, komt aanlopen. Met zijn kunstzijden witte overhemd en zijn zwarte broek met vouw valt hij een beetje uit de toon tussen de Nederlanders, die hun blote buiken over hun shorts laten puilen. “Zeg nou zelf, Gojko” roept Baegen, die het hoogste woord en het stevigste postuur heeft, “Zijn wij racisten?” Zijn Marokkaanse en Nederlandse maten verzamelen zich om hem heen.

Gojko haalt zijn schouders op. Hij lijkt ontspannen. “Ik voel me hier prima. Ik woon hier elf jaar, ik heb nooit problemen gehad. We hebben hoogstens een paar woorden gehad.” Uit een bovenraam klinkt plotseling een pesterig jongensstemmetje: “Vuile zigeuner!” Met een brede grijns kijkt Nicolic omhoog. Hij steekt een middelvinger op en iedereen op straat lacht met hem mee. “Dat was een geintje”, zegt hij.

Achter de façade van kameraadschap is meer aan de hand, maar hier wordt geen rassenoorlog uitgevochten. Het gaat de mensen om de sfeer in 'het wijk', die vroeger zoveel beter moet zijn geweest. Ze zijn niet tegen nieuwelingen, maar mensen moeten zich wel aanpassen. Een feestje is prima, maar niet de hele nacht. Auto's horen gewoon vijftig te rijden in de straat. Gojko houdt zich niet aan die regels, zeggen buurtbewoners.

Achttien jaar geleden stond er een hek om de wijk, vertelt Jaqueline Huiding. Het hek is voor haar het symbool van haar oude, saamhorige volksbuurt. Ze zit met haar hele familie voor het huis van haar moeder. “Het waren een paar grote families die bij elkaar woonden. Je kon bij elkaar binnen lopen en zelf suiker pakken als je het nodig had.” Baegen, die een straat verderop staat te schreeuwen, is ook een telg van een van die oorspronkelijke families.

Een van de weinigen die 'het wijk' niet gezellig vindt, is een nieuwkomer. Een blonde vrouw van rond de 35, met schichtige ogen en een cynische trek om haar mond. Ze zit voor haar huis, schuin tegenover het dichtgetimmerde pand. Binnenkort verhuist ze. “Ze proberen van de wijk één familie te maken. Als je even de deur uit bent, gooien ze je ramen in.” Haar toon is bitter. “Ik heb hier drie jaar gewoond. Drie jaar te lang.”

Er wordt nu veel gestolen in het wijk. Buitenstaanders krijgen de schuld, of ze nu blank of zwart zijn. Een van de buurtbewoners zag het fietsje van zijn kind bij Nicolic in huis staan. Zo'n anecdote blijft hangen. Er zijn er meer. Zo stonden er lange tijd ontsierende caravans voor de deur. Er was altijd geluidsoverlast toen de hele familie Nicolic nog in één huis woonde. Nu de ouders van Nicolic gescheiden zijn, is het rustiger. “De wijkagent durfde er niets aan te doen,” vertelt een buurman van Nicolic, terwijl hij zijn blonde zoontje op zijn andere heup zet. “Hij zei: ik heb thuis ook vrouw en kinderen.” Wijkagent Willem Kommu ontkent dat hij dat ooit gezegd heeft.

Terwijl Kommu zijn rondje loopt, laat hij geen kans onbenut om te vermelden wat een gezellige buurt Pijlsweerd toch is. De wijkagent nadert het nieuwe centrum van de wijk, het kapotte huis. De buurtbewoners staan hem als een klas vol etters op te wachten, klaar om hun docent te vernederen. “Zo”, zegt een jongen van nauwelijks vijftien jaar oud brutaal. “Ga je een 'diepgaand onderzoek' instellen?” De meute komt los. “We hebben het allemáál gedaan!” joelt Baegen er bovenuit. “Maak maar vast driehonderd cellen vrij!” Kommu gaat maar weer eens verder met zijn surveillance.