Duitsland gaat afgedankte tapijten recyclen

De Europese tapijtindustrie is de eerste bedrijfstak die een kringloopsysteem gaat opzetten. Anderhalf miljoen ton afgedankt tapijt moet jaarlijks worden gerecycled. Chemieconcern DSM coördineert het technologisch onderzoek voor het systeem.

Tapijt gaat in vergelijking met andere textiele produkten lang mee: gemiddeld tien jaar. Dat neemt niet weg dat er in Europa jaarlijks 900 miljoen vierkante meter tapijt wordt afgedankt. Driekwart daarvan komt op de stort terecht, voornamelijk in Duitsland, Nederland, België, Zwitserland en Engeland, de landen met de grootste tapijtconsumptie. De rest wordt verbrand. Nu mede door de stijgende kosten van de afvalverwerking steeds meer produkten worden gerecycled, neemt het aandeel van tapijt in het afval toe. Twintig procent van het groot vuil in Nederland bestaat nu al uit tapijt.

De Europese tapijtfabrikanten zoeken sinds het begin van de jaren '90 naar oplossingen voor het afvalprobleem. Ze doen dat binnen de Gemeinschaft umweltfreundlicher Teppichboden (GuT), het in Aken gevestigde milieu- en gezondheidsinstituut van de industrietak. Het afvaloverleg kwam destijds op gang door plannen van de Duitse en Nederlandse overheden voor invoering van een terugnameplicht.

In Duitsland is het nu zover. In oktober wordt daar het Kreislaufwirtschaftsgesetz van kracht, een wet die de verantwoordelijkheid voor een milieuvriendelijke verwerking van afgedankte produkten bij fabrikanten en handelaren legt. Wanneer deze niet aan hun verplichting voldoen, kan de wetgever de terugname van produkten afdwingen.

De nieuwe Duitse afvalwet heeft pas over een jaar of tien consequenties voor de tapijtindustrie, als de dit jaar verkochte vloerbedekking wordt afgedankt. “Maar daar wachten we niet op”, zegt Ernst Schröder, de zakelijk leider van de GuT. “Eind vorig jaar hebben de 86 bij ons aangesloten tapijtfabrikanten afgesproken een gesloten kringloopsysteem op te zetten.” Het systeem omvat het inzamelen van afgedankt tapijt (1,5 miljoen ton) en industrieel tapijtafval (100.000 ton), het sorteren en identificeren op vezelsoort, het scheiden van de vezelcomponenten, het recyclen van materiaal dat hergebruikt kan worden en het winnen van energie uit het resterende afval. Om de kringloop sluitend te krijgen, zal er niet alleen horizontaal (binnen de tapijtindustrie), maar ook verticaal (in de keten) worden samengewerkt. Over de medewerking van de detailhandel, die soms moeilijk te enthousiasmeren is voor retoursystemen, maken de tapijtfabrikanten zich geen zorgen. “In de toekomst zullen detaillisten die tapijt van GuT-leden willen verkopen, moeten garanderen dat ze dat te zijner tijd terugnemen. Willen ze dat niet, dan staan ze buiten spel. Gezien ons marktaandeel - de GuT-leden hebben 80 procent van de Europese markt in handen - zullen er niet veel detaillisten zijn die zich kunnen permitteren niet mee te doen. We verwachten dat consumenten ook druk op winkeliers zullen uitoefenen om mee te werken aan het kringloopsysteem”, aldus Schröder.

De ontwikkeling van het kringloopsysteem gebeurt tijdens een driejarig onderzoeksproject dat de naam RECAM heeft gekregen, een afkorting van REcycling of CArpet Materials. Het voornaamste doel van het project is op economisch verantwoorde wijze materialen als caprolactam (grondstof voor nylon), polypropeen en wolvezels terug te winnen en te recyclen. Aan het project werken behalve de tapijtindustrie ook elf Europese ondernemingen mee uit de chemische industrie, de machinebouw en de recyclingindustrie. Deze partners zijn gespecialiseerd in de te ontwikkelen processen. De kosten van het project bedragen 13 miljoen gulden, waarvan 5 miljoen door de Europese Unie wordt betaald. De rest komt voor rekening van de branche. De coördinatie is in handen van het Nederlandse chemieconcern DSM dat als producent van caprolactam een toeleverancier van de tapijtindustrie is. Volgens Schröder is er de afgelopen jaren al veel vooronderzoek gedaan door Europese tapijtfabrikanten en toeleveranciers. Daardoor zijn er technisch geen onoverkomelijke problemen meer. “Het accent ligt nu op de ontwikkeling van het logistieke apparaat. Dat gebeurt in Frankfurt en Beieren, waar sinds maart proeven lopen. Al het afgedankte tapijt wordt daar ingezameld, deels via de detailhandel, deels via het groot vuil. Het komt terecht bij sorteerbedrijven voor de identificatie van de vezelsoorten en gaat dan naar fabrieken waar een nieuw procédé wordt toegepast om de vezelsoorten te scheiden. Uit de kunstvezels kan nieuwe grondstof voor de tapijtindustrie worden gemaakt; de wolvezels zijn niet meer bruikbaar voor tapijt, maar kunnen verwerkt worden tot vilt voor onderlagen.”

Het recyclen van tapijt is nu nog duurder dan het storten. Schröder: “De kosten van het storten bedragen in Duitsland, inclusief de logistiek, 400 DM per ton. Het recyclingtraject kost 460 DM. Maar bij een groter aanbod van tapijtafval dalen de kosten van het recyclen. En de verhouding zal nog gunstiger worden als in de nabije toekomst het storten van afval in de Europese Unie drastisch aan banden wordt gelegd en de kosten van afvalverbranding stijgen.” De GuT schat dat recycling van afgedankt tapijt op termijn in Europa een besparing van 300 tot 600 miljoen gulden oplevert, vergeleken met verbranding.

Essentieel voor het functioneren van het kringloopsysteem is dat er een markt is voor secundaire materialen. “Dat wordt nu uitgezocht”, zegt Nico Janssen, business development manager bij DSM Fibre Intermediates, die namens DSM optreedt als projectcoördinator van het RECAM-project. “Uit een levenscyclusanalyse weten we dat het ecologisch zinvol is om materialen als caprolactam terug te winnen uit tapijtafval. Het bespaart energie en grondstoffen en levert minder emissies op. Maar of het ook economisch zinvol is, moet nog blijken.” In een nog niet gepubliceerd onderzoek van Twijnstra Gudde naar de logistiek en organisatie van retourstromen (werktitel: Waar een wil is, is een weg retour) staat dat de primaire motieven voor het initiëren van retourstromen wetgeving, marktpositie en financieel voordeel zijn. Milieuvoordelen zijn hooguit een steunmotief. Wat is het motief voor DSM om zich in te zetten voor het RECAM-project? Janssen: “We vinden in het algemeen dat we als chemische industrie een bijdrage moeten leveren aan het oplossen van problemen, maar het hoort ook bij onze opvatting van product stewardship, de levenslange zorg voor produkten, tot aan het afvalstadium toe.”

Geheel belangeloos is DSM's deelname aan het project natuurlijk niet. Als er een markt is voor gerecycled caprolactam, zal het bedrijf binnen enkele jaren een recyclinginstallatie bouwen om caprolactam uit tapijtafval van nylon terug te winnen. Gedacht wordt aan een grootschalige installatie met een schoon produktieproces. De installatie zal werk bieden aan enkele tientallen mensen. De nieuwe fabriek komt mogelijk in de buurt van de bestaande caprolactamfabriek van DSM in Geleen.