De AOW haalt het nog wel tot in de volgende eeuw

Het kabinet heeft ervoor gekozen de AOW in z'n huidige vorm te handhaven en de extra benodigde gelden te zoeken binnen de algemene middelen. Maar volgens P. Veninga is dat nog lang niet het eind van het verhaal. Beste remedie is het stimuleren van economische groei en concurrentiekracht, om de kosten van de 'grijze golf' te dragen.

De koers van het kabinet ten aanzien van de AOW komt in feite neer op een premieverhoging met progressieve werking, die opgebracht wordt door allen die loon- of inkomstenbelasting betalen, dus ook door de (meeste) AOW'ers met een aanvullend inkomen. Bij een premieverhoging zou de opbrengst geoormerkt zijn en zouden de AOW'ers ontzien zijn; bij een verhoging van de premieplichtige som eveneens.

De verschillen zullen elkaar voorlopig niet veel ontlopen, en de regering lijkt kool en geit grotendeels gespaard te hebben. De door PvdA en D66 gewraakte verhoging van de AOW-grens naar 67 jaar lijkt daarmee van de baan. Ook fondsvorming - die in eerdere discussies nog al eens opgeld deed om toekomstige problemen vóór te zijn - is nauwelijks nog aan bod gekomen.

Maar of hiermee een einde is gekomen aan de discussie rond de (financiering van) de AOW valt nog te bezien. De vraag naar de financiering van de vergrijzing, in casu de betaalbaarheid van de AOW, blijft immers bestaan.

Waar gaat het daarbij nu eigenlijk om, welke oplossingen zijn er mogelijk en welke van die oplossingen zijn 'de beste', dan wel acceptabel binnen de maatschappelijke context?

Over de aard van het probleem bestaat geen enkel misverstand: de geboortegolf uit de jaren 1945-1960 verplant zich met de snelheid van de klok naar een vergrijzingsgolf in de circa twintig jaren na 2010. De verhouding tussen werkenden en hun ouders zal een andere zijn dan nu het geval is. Van het na 2010 geproduceerde nationale produkt zal relatief méér door de kinderen van nu moeten worden afgestaan om hun ouders een materieel even goede oude dag te geven als die welke de huidige AOW'ers genieten. Zo niet, dan zullen de ouders van nu het dán met wat minder moeten doen.

In principe zijn er vier dingen die hierin enige verandering kunnen brengen: 1. Er wordt nú een tegoed gekweekt in het buitenland, in de hoop dit te zijner tijd te gelde te maken en zo de toename in de totale pensioenbetalingen te kunnen realiseren zonder verhoogde aanslag te hoeven plegen op het door de werkenden geproduceerde nationale inkomen. 2. Er wordt nú extra geïnvesteerd, in de hoop dat die investeringen zullen leiden tot een verhoogde groei, dat wil zeggen dat die investeringen ook in de periode 2010-2035 vrucht blijven dragen. Daarmee is het verdelingsprobleem tussen de generaties weliswaar nog niet uit de wereld, maar is, naar mag worden gehoopt, de te verdelen koek wat groter. 3. Er wordt in de periode 2010-2035 geleend in het buitenland en de daardoor ontstane schuld wordt geleidelijk gedelgd door de generatie daarna. Argument daarvoor zou kunnen zijn dat díe generatie die last beter zou kunnen dragen wegens de dan naar verwachting opgetreden economische groei én omdat zij minder ouders te verzorgen heeft. Veronderstelling daarbij is wel, naast een blijvende economische groei, dat de geboortegolf van 1945-1960 een eenmalig fenomeen is en blijft. 4. De werkenden van nu blijven wat langer aan het werk. Dat wil zeggen: de AOW-leeftijd gaat naar bijvoorbeeld 67 jaar. Wat is het realiteitsgehalte van deze strategieën en welke geeft het beste resultaat? Omwille van het debat wil ik hier een poging wagen.

Als toetssteen zijn er twee doelstellingen die nogal voor de hand lijken te liggen: een zo hoog mogelijke economische groei (uiteraard onder voorwaarde van een verantwoorde milieubelasting en wat dies meer zij) en een acceptabele inkomensverdeling. Randvoorwaarde is dat de gekozen oplossing juridisch-administratief hanteerbaar is.

1. Het kweken van een spaarpot in het buitenland bovenop de spaarpot die Nederland al sinds jaar en dag aan het kweken is (gezien ons welhaast structureel geworden overschot op de betalingsbalans), lijkt geen aantrekkelijke of realistische optie. Het zou een nog hogere spaarquote, dat wil zeggen een verdere rem op de consumptieve bestedingen betekenen. De toch al lage binnenlandse investeringsgeneigdheid van het bedrijfsleven zou door het gebrek aan binnenlandse afzetperspectieven verder afnemen en de economische groei zou dus geremd worden.

Dat de overheid de extra besparingen voor haar rekening zou nemen, is nog minder realistisch, omdat daarvoor óf de belastingen en premies omhoog zouden moeten, óf de overheidsuitgaven (en dan waarschijnlijk toch weer als eerste de investeringsuitgaven) nog verder aangetast zouden moeten worden.

2. De binnenlandse investeringen worden omhooggebracht. Dit lijkt de meest interessante optie. Wat daar evenwel voor nodig is, is nu echter net niet dat er extra premies worden geheven die in een fonds worden gestopt, maar dat de afzetperspectieven op de binnenlandse markt verbeteren. Daartoe zijn eerder lágere premies en belastingen nodig. De consumptieve bestedingen zouden op die manier moeten worden gestimuleerd. Of de daarvoor uitgelokte investeringen ook ná 2010 nog vruchten zullen dragen, is natuurlijk de vraag.

Een andere mogelijkheid is dat de overheid haar investeringen weer op een hoger peil brengt. Dat moeten dan wel investeringen zijn waarvan het land ook werkelijk profiteert in de wat verdere toekomst, dat wil zeggen die de concurrentiekracht van Nederland verbeteren. Onderwijs, onderzoek en infrastructuur zijn daarvoor goede kandidaten. Bij het huidige begrotingstekort zal een dergelijke impuls alleen uit een verschuiving binnen de begroting kunnen komen. Op een grootscheepse investeringsimpuls door de overheid hoeft daarom niet gerekend te worden.

3. De derde optie, het laten afbetalen van het pensioentekort in de jaren 2010-2035 door de generatie daarná, is in de discussie zelden of nooit aan de orde gekomen. Het is misschien ook niet netjes om bij voorbaat onze kindskinderen met de oplossing van onze problemen op te zadelen. Toch zou er over deze optie nagedacht kunnen worden, want als de economische groei aanhoudt, valt er voor zo'n intergenerationele overheveling ván onze 'steenrijke' kindskinderen náar onze relatief iets minder bemiddelde kinderen wel iets te zeggen.

4. De laatste optie: het verhogen van de AOW-leeftijd. Als er geen drastische wijziging komt in de arbeidsdeelname van 60-plussers, zal een dergelijke stap weinig anders betekenen dan een regelrechte aantasting van het inkomen van 60-plussers. De extra bijdrage aan het nationale produkt van de 65- en 66-jarigen zal dan verwaarloosbaar zijn.

Gelet op alle administratieve en juridische consequenties lijkt deze optie eerder te leiden tot administratieve en juridische chaos. Het lijkt eerlijker en duidelijker om dan maar te zeggen waar het op staat en de AOW te verlagen onder handhaving van de AOW-leeftijd op 65 jaar, of de premieheffing uit te strekken tot de groep van de 65-plussers.

Al met al lijkt er niet veel te doen aan de consequenties van de veranderende verhouding oud/jong ten minste gedurende een jaar op vijfentwintig vanaf circa het jaar 2010. De Nederlandse (pensioen-)fondsvorming behoort al tot de hoogste ter wereld, het nog verder vergroten ervan zou de toch al te lage consumptieve bestedingen nog verder aantasten, het toch al te grote begrotingstekort nog verder vergroten of de toch al te hoge lastendruk nog verder verhogen.

De omgekeerde strategie - het verhogen van de consumptieve bestedingen en het verlagen van de lastendruk en daarmee het verhogen van de binnenlandse investeringen - lijkt meer perspectief te bieden. De daardoor ontstane groei en concurrentiekracht kan dan het draagvlak vormen voor de pensioenuitkeringen aan de zich aandienende 'grijze golf'.

De AOW in z'n huidige, simpele vorm als basisvolksverzekering via een omslagstelsel verdient het om behouden te blijven. Mocht ooit de nationale spaarquote alsnog tot een te laag niveau zakken, dan kan altijd nog eens nagedacht worden over een gedwongen fondsvorming voor de AOW. Vooralsnog lijken we ver van zo'n situatie af te staan en de regering is het hier, blijkens haar voornemen, gelukkig mee eens.

Ten slotte: Er zijn tot het jaar 2010 nog bijna vijftien jaren te gaan. Zelfs bij een matige groei van zeg twee procent is de financieringsgrondslag voor de AOW op basis van het omslagstelsel dan al bijna vijfendertig procent hoger dan nu. Geen reden voor al te grote bezorgdheid!