Afghaanse weduwen verwachten niets meer van het leven

KABUL, 6 AUG. Ook 's avonds, wanneer Kabul al vrijwel overal in duisternis is gehuld en de avondklok nadert, speuren vrouwen in spookachtige gewaden en een meute haveloze jongetjes de stoffige straten nog wanhopig af naar een aalmoes of een hapje eten.

Veel van deze vrouwen in hun traditionele burqa, een alles bedekkende soepjurk die slechts contact met de buitenwereld toelaat via een tralievenstertje, zijn weduwen. Mentaal kapotgebeukt door de oorlog en zonder financiële reserves zijn ze aan de bedelstaf geraakt. Ze kunnen zich niet veroorloven al voor zonsondergang thuis te zijn, zoals de lokale normen het eigenlijk van fatsoenlijke moslim-vrouwen willen.

Een van Kabuls circa 30.000 oorlogsweduwen is de pas 19-jarige Simah, een knap meisje met grote droevige ogen. Een bedelares is ze niet, maar wel weduwe. Terwijl veel jonge vrouwen van haar leeftijd elders in de wereld nog niet in de verste verte aan een huwelijk denken, heeft zij het hare al lang en breed achter de tengere rug.

Naar oud Afghaans gebruik trouwde Simah op 14-jarige leeftijd en binnen de kortste keren was ze moeder van drie gezonde dochters. Toen was haar geluk op. Tijdens zware gevechten in Kabul verdween plotseling haar man. Hoewel zijn lijk nooit werd gevonden, moest worden aangenomen dat hij dood of gevlucht was. Vast stond slechts dat Simah er alleen voor stond. Tot overmaat van ramp ontplofte een raket in haar buurt. De knal maakte haar gedeeltelijk doof en sindsdien is ze geestelijk ook niet meer de oude.

Een broer heeft zich over haar en haar kinderen ontfermd. Maar de man, die zijn brood als venter verdient en het toch al niet breed heeft, kan deze extra last bijna niet aan. Nu volgt Simah samen met enkele tientallen andere weduwen een breicursus, die is opgezet door de hulporganisatie Care International om hen aan een klein beetje inkomen te helpen. Stilletjes zit ze in een hoekje, terwijl de andere vrouwen haar levensverhaal uit de doeken doen.

Het huwelijk van de 20-jarige Zarmina heeft nog korter geduurd, slechts twee maanden, lang genoeg om zwanger te raken. Haar man werd gedood door een raket op Kabul en zo was ze op 16-jarige leeftijd weduwe en kort daarop moeder van een baby. Hoewel ze in de bloei van haar leven is en normaal gesproken nog vele jaren voor de boeg heeft, zijn haar vooruitzichten somber: weduwen hertrouwen zelden in het door en door conservatieve Afghanistan. “Tot dusverre heb ik niet over de toekomst durven nadenken”, bekent Zarmina.

Twee oudere weduwen, die aandachtig hebben zitten luisteren, barsten spontaan in tranen uit na het relaas van Zarmina en het duurt niet lang of de hele groep zit zachtjes te snikken over de wreedheid van het leven.

De aanstichters van al dit vrouwenleed, de op macht beluste aanvoerders van de verschillende facties die elkaar al ruim vier jaar op leven en dood bestrijden, laten de weduwen en hun meestal jonge kinderen aan hun lot over. “Onder de communisten kregen we ten minste nog enige steun van de overheid”, klaagt een oudere weduwe. “Na de islamitische revolutie (die in 1992 een einde aan het communistische bewind maakte) was dat voorbij.”

Wie zelf uit Kabul komt en enig onderwijs heeft genoten, weet zich meestal met hulp van familie wel te redden. Het meest tragische is het lot van de talrijke analfabete weduwen die als vluchtelingen van het platteland naar de hoofdstad zijn gekomen. De Afghanen zijn weliswaar in het algemeen niet te beroerd om hun bezittingen en voedsel met anderen te delen, maar wanneer ze ook zelf aan de grond zitten, vermindert hun gulheid begrijpelijkerwijs snel.

Ook al heeft een vrouw soms al jaren bij haar schoonouders ingewoond, als haar man dood is, worden zij en haar kinderen vaak als een last beschouwd. “Aangezien de meeste vrouwen geen geld inbrengen in het huishouden”, vertelt Esther Robinson van Care International “krijgen ze dan op een gegeven moment van de familie van haar gestorven man te horen: ga maar weg, we kunnen niet meer voor je zorgen.”

Sommigen kunnen dan nog op hun eigen familie terugvallen, maar er zijn ook duizenden vrouwen die helemaal niemand hebben die ze helpt. Ze vallen in een diep gat. Waar vinden ze eten, een woning en kleren voor zichzelf en hun kinderen? Hoe kunnen ze Kabuls barre winter doorstaan? Voor de meesten breekt er een periode aan van bittere armoede, van een monotoon dieet bestaand uit nan, het droge Afghaanse brood, een beetje rijst en thee en soms van honger. “Als je vraagt, wanneer ze voor het laatst vlees of fruit hebben gehad, lachen ze je uit”, aldus Robinson. “Daarvoor hebben ze nooit geld.”

Veel vrouwen sturen hun zoontjes er op uit als schoenpoetser, venter van sigaretten of andere waren. Dat levert in het beste geval net genoeg op om wat nan te kopen. De dochtertjes worden met het huishouden belast, als er ten minste een huis is, en de vrouwen zelf proberen als verkoopster of bedelares ook wat te verdienen. Veel weduwen zijn voor hun overleven afhankelijk van voedselhulp van het Internationale Rode Kruis en Care International.

De 50-jarige Mariam, die er met haar grijze haren, slechte gebit en talrijke rimpels ten minste twintig jaar ouder uitziet, blijft van zulke hulp verstoken. Ze is na het verlies van achtereenvolgens haar echtgenoot en een zoon naar een dorpje aan de rand van Kabul gevlucht, nadat haar eigen huis in de frontlinie was terechtgekomen.

De plaatselijke bevolking geeft haar nu wat te eten en zij helpt op haar beurt de boeren een beetje op de armetierige veldjes buiten het dorp. “Ik haat de oorlog en ik snak naar vrede”, zegt ze. “Ik heb door de oorlog m'n man verloren, m'n zoon, m'n huis, m'n land, alles.”

Ook de tien jaar oudere, eveneens Mariam geheten weduwe, in een huis voor geestelijk gehandicapten in het westen van Kabul is zwaar door de oorlog getroffen. Haar zoon werd aan het begin van de communistische periode door politieagenten zo hard op zijn hoofd geslagen dat hij gek werd. Mariams man leed hier zwaar onder en stierf vijf jaar later van verdriet. De zoon Abdul Salam werd in een tehuis opgenomen, waar hij nu al ruim tien jaar zit.

Eerst verbleef Mariam enkele jaren bij haar dochters, maar daarna trok ze in bij haar zoon in de inrichting. Ze delen een naargeestig kamertje met half afgebladderde muren en een paar roestige bedden. Ze kijken uit op de ruïnes van gebouwen die door de gevechten in puinhopen zijn herschapen. “Ik heb verder niets meer van het leven te verwachten”, zegt Mariam met betraande ogen. “Ik wil naast mijn zoon sterven.” Vanaf zijn bed glimlacht Abdul Salam glazig in het niets.