NIELSEN

Nielsen, complete symphonies. National Symphony Orchestra of Ireland. (Naxos 8.503006).

Twintig jaar gelden schreef Maarten 't Hart een apologetisch artikel in de Haagse Post over de Deense componist Carl Nielsen (1865-1931). Het stuk was aanleiding tot een vermakelijke discussie over het feit of zoveel aandacht niet te veel eer was voor een componist van de tweede garnituur. Onlangs werden de zes symfonieën die Nielsen componeerde uitgebracht door het National Symphony Orchestra of Ireland onder Adrian Leaper, en deze drie cd's met keurig orkestspel onderstrepen nog eens dat deze muziek het verdedigen waard is.

Nielsen situeerde zijn melodische vondsten in harmonieën die van binnenuit tegen de randen de tonaliteit lijken te duwen, terwijl zijn muziek tegelijkertijd een vaak dwingende ritmiek ontwikkelt. Wanneer je de zes symfonieën achter elkaar beluistert, tekent zich al snel een piramidevorm af met de Derde symfonie als onbetwist hoogtepunt. De Eerste symfonie leunt nog sterk op Brahms; de Zesde is wat pompeus en melig zelfs. Maar bij alle symfonieën is Nielsens visionaire vakmanschap onmiskenbaar aanwezig.

De Derde symfonie, met de bijnaam Sinfonia espansiva, is de meest oorspronkelijke van het zestal. 'Expansief' wil hier zoveel zeggen als het vermeerderen met extra dimensies, wat in ieder geval gebeurt door de toevoeging van vloeiende stemmen, die als instrumenten meedeinen te midden van de instrumentale golfstroom. De walsende ritmes, de verleidelijke melodieën, de natuurlijke instrumentatie (met veel aandacht voor de blazers) en het gedurig optrekken en afremmen van de muziek houden deze symfonie spannend tot op de individuele maat.

Het Concertgebouworkest had al vroeg gelijk toen men deze compositie op 28 april 1912, enkele weken na de Deense première en onder leiding van de componist zelf, gloedvol ten doop hield.