Leger moet geen strafkamp worden

De Nederlandse luchtmacht heeft twee militairen teruggeroepen uit het buitenland omdat ze hun lange haar niet wilden laten knippen. Terecht, vond het Tweede-Kamerlid Van den Doel (VVD) op deze pagina. Lang haar past niet bij een beroepsmilitair. Maar wat zijn daar eigenlijk de argumenten voor, vraagt de historicus R.C. Strootman zich af. Normen aangaande het uiterlijk zijn nu eenmaal veranderlijk. Bovendien moet de krijgsmacht de samenleving niet van zich vervreemden, waarschuwt de econoom Simon Duindam. Dat kan ons nog heel wat duurder komen te staan dan die lange haren.

De krijgsmacht wil strengere eisen gaan stellen aan het uiterlijk van de Nederlandse militair. Strikt gezien past deze opstelling in de manier waarop de beroepsmilitair en de krijgsmacht met elkaar om zouden moeten gaan. Immers, naast het gewone geschreven contract zal er ook een ongeschreven contract moeten zijn, waarin de krijgsmacht zich verplicht de militair te respecteren als persoon, hem nuttig werk te geven en de mogelijkheid tot individuele ontplooiing. De militair heeft zich in het ongeschreven contract verplicht tot het zo goed mogelijk uitoefenen van zijn taak en tot gedisciplineerd gedrag.

Bij de interpretatie wat nu precies respect voor de beroepsmilitair is, en wat gedisciplineerd gedrag, moet nu niet alleen gekeken worden naar de dagelijkse praktijk van de krijgsmacht, zoals de politicus Van den Doel doet (NRC HANDELSBLAD, 31 juli).

In de afgelopen jaren hebben we gezien dat opschorting van de opkomstplicht en de transformatie van een leger van dienstplichtigen in een vrijwilligersleger samenhangt met twee vormen van maatschappelijke aanvaarding. Allereerst kennen we de aanvaarding in algemene zin, wat inhoudt dat een krijgsmacht beter kan ophouden te bestaan zodra een maatschappij de noodzaak ervan niet meer inziet. Daarnaast heeft de krijgsmacht een bepaald niveau van maatschappelijke aanvaarding in specifieke zin nodig om goed te kunnen functioneren. Ofwel, in de woorden van de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht (MRK): “Mensen moeten er willen werken, niet alleen in verband met de maatschappelijk aanvaarde doelstellingen van de organisatie, maar ook in verband met de rechtspositie, de aard van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder deze moeten worden verricht.”

Beide vormen van aanvaarding zijn duidelijk geworden tijdens de discussie over de dienstplicht. De noodzaak van de dienstplicht uit veiligheidsperspectief is afgewogen tegen de maatschappelijke prijs van de dienstplicht in termen van lasten voor de dienstplichtigen en het functioneren van de krijgsmacht. Omgekeerd is de beslissing om de opkomstplicht op termijn weer in te stellen ook een afweging van beide vormen van maatschappelijke aanvaarding. Toegenomen internationale spanning zal worden afgewogen tegen de maatschappelijke prijs van herinvoering van de opkomstplicht. Daarbij is het niet denkbeeldig dat de veiligheidssituatie de noodzaak van herinvoering vereist, maar dat dit toch niet gebeurt omdat de prijs voor de maatschappij te hoog wordt geacht. Een te hoge prijs, die het gevolg kan zijn van verwaarlozing van de specifieke onderdelen van de dienstplicht, zoals registratie- en keuringsinfrastructuur, rechtspositionele aspecten, waaronder het straf- en tuchtrecht en het rechtsreglement dienstplichtigen. Bovendien zal de cultuur van de krijgsmacht in overeenstemming moeten blijven met die van de maatschappij, wil de prijs niet nog extra oplopen.

Het stellen van strengere eisen aan het uiterlijk moet dan ook niet alleen worden getoetst aan de operationele taken van de krijgsmacht; dat zou bedrijfskundig gezien neerkomen op korte-termijndenken, hetgeen op lange termijn schadelijk kan zijn in maatschappelijk opzicht. In het algemeen geldt dat, naarmate de normen en waarden van de maatschappij in de toekomst geen gelijke tred houden met wat materieel uit de Dienstplichtwet voortvloeit, het steeds moeilijker zal zijn de opkomstplicht voor dienstplichtigen opnieuw in te voeren.

Willen we dit probleem oplossen, dan is 'onderhoud' van de Dienstplichtwet in praktische zin noodzakelijk. Onderhoud van de fysieke delen van de dienstplicht, maar ook van de immateriële zaken. Eerst aangewezene om dit onderhoud te verrichten is het ministerie van Defensie. In de praktijk zien we echter dat dit ministerie zich niet bewust is van dit onderdeel van de landsverdediging. Zo wordt het instituut dat zich jarenlang heeft beziggehouden met de integratie van maatschappij en krijgsmacht, de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht, dit jaar opgeheven terwijl ook het wetenschappelijke instituut Stichting Maatschappij en Krijgsmacht (SMK) niet zeker is van haar toekomst. Aanpassingen van het rechtsreglement dienstplichtigen zullen niet meer worden uitgevoerd, melden de bonden voor dienstplichtigen.

Zo lijkt het erop dat het ministerie van Defensie de opschorting van de opkomstplicht feitelijk interpreteert als afschaffing van de dienstplicht. Verrassend is de handelwijze van het ministerie niet, omdat het overgrote gedeelte ervan (de krijgsmacht) zich direct bezighoudt met het leveren van gevechtskracht, waarbij dienstplichtigen nu geen rol spelen. Ook de politieke omgeving waarin het ministerie van Defensie zich begeeft, onderdrukt vaak het lange-termijnperspectief van instituties als de dienstplicht. Politiek is een zaak van de korte termijn en dat verdraagt zich nu eenmaal niet met zaken die misschien over dertig jaar nodig zijn, ondanks het feit dat dit wel politiek afgesproken en maatschapplijk noodzakelijk is.

Willen we de dienstplicht als instituut in stand houden, dan zal onderhoud van de dienstplicht ook in maatschappelijk opzicht noodzakelijk zijn. Het onderhoud van de dienstplicht als instituut lijkt het best op zijn plaats bij een onafhankelijk instituut verbonden aan het ministerie van Defensie, zoals de Maatschappelijke Raad voor de Krijgsmacht en de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht. Zij krijgen dan van de politiek de expliciete taak het onderhoud van de dienstplicht uit te voeren.

Rapportage kan gekoppeld worden aan een toetsingsmoment, zoals in de Verenigde Staten gebruikelijk is bij de vijfjaarlijkse besluitvorming over de herbevestiging van het opschorten van de opkomstplicht. Een toetsingsmoment dat tevens voortkomt uit de behoefte om de verschillende uitingen ten faveure van herinvoering van de opkomstplicht, of de maatschappelijke aanvaarding van de krijgsmacht te structureren.

Zo bestaat er bijvoorbeeld bij de dienstplichtigenvakbond VVDM wrevel over het feit dat zij zich bij de discussie over de dienstplicht uitsprak voor afschaffing, omdat de maatschappelijke aspecten van dienstplicht gegarandeerd konden worden in een vrijwilligersleger, door instituten als de MRK en de SMK. Dat het juist deze poortwachters van de wisselwerking tussen maatschappij en krijgsmacht zijn die nog eerder dan de opkomstplicht zelf worden opgeheven, belooft niet veel goeds voor de toekomst op dit terrein.

Juist de politiek zou zich bewust moeten zijn van het belang van een goede wisselwerking tussen maatschappij en krijgsmacht. Defensie is meer dan een goed functionerende krijgsmacht. Vervreemding van de maatschappij, al is het maar door het niet meer toelaten van oorbellen en lang haar, kan de krijgsmacht en uiteindelijk ook de maatschappij nogal duur komen te staan.