Israelische soldaten foppen

In de rij voor het Israelische checkpoint bij Ramallah zegt Ameni vanaf de achterbank: “Denk erom, ik ben Miriam Williams uit Connecticut.” Ze haalt een boek uit haar tas en gaat ingespannen zitten lezen. Het is T.E. Lawrence's Seven pillars of wisdom. De bestuurder draait het raampje open voor de Israelische soldaat.

“Waar gaan jullie heen”, vraagt de soldaat. “Naar Jeruzalem”, zegt de bestuurder. “Paspoort.” De bestuurder toont zijn papieren. De anderen doen hetzelfde. “En zij”, vraagt de soldaat. Ameni graaft in haar tas. “Oh nee”, roept ze dan in het Engels met een sterk Amerikaans accent, “ik ben mijn paspoort vergeten. Ik heb alleen mijn studentenkaart.” Ze toont de soldaat, die nu half door het raampje hangt, een groenig pasje van Yale University met haar foto erop. “Oké, rij maar door”, zegt de soldaat.

Ameni (21) is het wandelende bewijs dat totale veiligheid in Israel niet bestaat. Ze heeft geen paspoort, ze heeft evenmin als de meeste Palestijnen op de Westoever een vergunning om Israel in te komen. De studentenkaart is zo vals als maar kan. Een penvriendin uit Amerika, de échte Miriam Williams, stuurt haar elk jaar een pasje van Yale. Daar zet Ameni haar handtekening op en plakt er een foto bij.

Ondanks de Israelische afsluiting van de Westoever is het een koud kunstje om zonder papieren de grens over te komen. Het wemelt van de weggetjes waar geen Israelische patrouille is. En vaak loopt de grens dwars door een boomgaard. Toch laten veel Palestijnen het wel uit hun hoofd om die route te nemen. Wie gepakt wordt, betaalt 3.000 shekel boete (ruim 1.500 gulden) en riskeert zes maanden gevangenisstraf. Maar Ameni is nooit bang. Van nature niet, en al helemaal niet omdat “de Israeliërs ons Palestijnen dan precies hebben waar ze ons hebben willen”.

Zij woont in Hebron en gaat elke dag naar haar werk in Jeruzalem. In het weekeinde zwemt ze bij Tel Aviv. Achterafweggetjes neemt ze nooit. Ze klimt niet over tuinhekken, zoals de anderen. Dat vindt ze laf. Ameni reist altijd door Israelische checkpoints Israel in en uit. Soms als agronome uit Zuid-Afrika. Of als Amerikaans Congreslid. Omdat de soldaten vaak rouleren, krijgen ze haar zelden of nooit twee keer te zien.

Ze ziet er niet erg Palestijns uit. Ze heeft een opmerkelijk brutaal gezicht voor een Arabische vrouw. Haar huid is bleek. Ze laat haar steile donkere haar in een korte bob-lijn knippen, want dat oogt 'Westers'. Als je soldaten wilt foppen moet je het goed doen, vindt ze. Kortom: doe alsof je buitenlander bent, lach, wees beleefd en kijk de soldaat niet in zijn ogen. Verder heeft ze altijd T.E. Lawrence bij zich. Ze haat dat boek, maar het is sophisticated. Ten slotte heeft ze zichzelf met Linguaphonecursussen Engels geleerd, en verzamelt ze informatie over Connecticut.

Zo was er laatst een soldaat die haar niet vertrouwde. Paspoort vergeten, dat kon iedereen wel zeggen. Ameni moest de auto uit. “Connecticut!”, riep hij toen. “Daar heb ik ook gewoond. Hoeveel kilometer is het vandaar naar New York?” Ameni gaf zonder aarzelen het goede antwoord. Toen ze ook nog de naam wist van de joodse baseball-speler van Connecticut kon ze gaan. “Doe ze de groeten daar”, riep hij nog.

Ameni schat in een oogopslag haar kansen in. Dienstplichtigen en reservisten zijn makkelijk om de tuin te leiden. Die nemen de regels niet zo letterlijk en laten zich snel door buitenlanders imponeren. Engels lezen doen ze bijna nooit, zeker nieuwe emigranten uit Ethiopië of Rusland niet. Soms toont Ameni ze dus brieven van kantoor met een stempel erop. Die houden ze dan op de kop en turen er een tijdje ingespannen naar. “Ga maar”, zeggen ze dan tien tegen een.

Vannacht heeft Ameni bij haar ooms gelogeerd, in Bethania. Bij het checkpoint voor Jeruzalem roept een soldaat in het Hebreeuws: “Papieren!” Ameni kijkt op van haar boek en zegt: “Excuse me?” De man laat haar doorrijden.

Ameni mag dan een acteertalent zijn, maar de soldaten zijn wel heel erg naïef. “De meesten zijn gewoon dom”, zegt ze, “ze geloven echt dat ik oké ben, anders zouden ze me niet doorlaten.” Toch beschouwt ze het niet als een spel. Geen spel, althans, zoals Amerikaanse douaniers en Mexicanen dat spelen aan 's werelds drukste grens in Tijuana, Californië. “Daar zeggen de douaniers: als de migranten maar slim genoeg zijn, verdienen ze het dat we erin trappen. Die Mexicanen zijn uitkeringstrekkers of illegale arbeiders. Voor Israelische soldaten is elke Palestijn een potentiële moordenaar. Ze zijn bloedserieus.” De Palestijnen weten dat, en trekken van tevoren al de conclusie dat de soldaten hun te slim af zullen zijn. Ze nemen liever binnenweggetjes dan zich met een smoes bij een checkpoint te melden. De soldaten krijgen daardoor weinig 'gevallen' als Ameni voor hun neus. Misschien zijn ze daarom wel zo goedgelovig.

Laatst kwam ze met haar Amerikaanse baas bij een checkpoint. Er stonden beroepssoldaten. Die houden zich vaak strikt aan de procedures. De soldaten spraken geen Engels. Dus Ameni zei in het Engels: “Ik studeer aan de Hebrew University. Op Mount Scopus!” Dat begrepen ze. “Spreek je Arabisch”, vroeg een soldaat hoopvol. “Geen woord”, loog Ameni in hakkelend Hebreeuws. “Ha, ze spreekt Hebreeuws”, zei de soldaat. Hij vroeg of ze niet kon tolken tussen hem en de Amerikaan. “Maar natuurlijk”, zei ze. Dat deed ze. Toen de soldaat na wat heen en weer gevraag het paspoort van de Amerikaan wilde zien, dacht Ameni lang na en zei toen beschaamd: “Ik kan toch even niet op het Engelse woord voor paspoort komen...” Een onwaarschijnlijke smoes voor iemand die zich uitgeeft als Amerikaanse. Maar de soldaat had niets door en vroeg de Amerikaan: “Is zij uw vrouw?” De Amerikaan zei ja. “Goed, dan laten we haar dit keer gaan op die studentenkaart.”

Ameni's vader was aan het bidden in de Ibrahaimi-moskee toen de kolonist Baruch Goldstein tweeëneenhalf jaar geleden schietend binnenkwam. De mannen naast hem waren op slag dood. Hij overleefde. “Als je je als Palestijn bij je lot neerlegt”, vindt Ameni, “word je zuur. Dan krijg je klap op klap. Toen ik geen permit kreeg voor Israel, had ik sip thuis kunnen blijven. In Hebron is geen werk, er is niets te doen, behalve naar Israelische soldaten kijken. Daar word je helemaal somber van. Dus ik dacht: in Jeruzalem is werk, daar ga ik heen. Dan maar niet legaal.”