Dagje

Eigenlijk bestond de zomervakantie niet uit een hele maand, maar uit drie dagen: een dagje Scheveningen, een dagje Lommerrijk en een dagje Park. Deze hoogtijdagen werden over drie weken verdeeld; de vierde week werd geacht genoeg verstrooiing te bieden dankzij de verjaardag van de koningin, zodat zich binnen betrekkelijk korte tijd telkens iets voordeed om met spanning naar uit te kijken.

Weliswaar trok mijn vader er af en toe met mij op uit naar de weilanden langs de Schie of naar de spoordijk aan het eind van de Voorburgstraat om boterbloemen en klaprozen te plukken, maar dat telde niet, daar we het net zo goed ondernamen als ik geen vakantie had. Ook was het niets bijzonders - want dat gebeurde wel meer op woensdag- of zaterdagmiddag - als hij me meenam naar de markt op de Goudsesingel of de Franse Bazaar op de Hoogstraat, of naar het artiestencafé van Charlie Stok aan de Kruiskade, waar ik niet uitgekeken raakte op de wand vol foto's met handtekeningen (waaronder die van mijn vader met zijn citer) van variété- en circusmensen, en waar ik een glas grenadine kreeg van Bartley, de acrobaat, die aan zijn vaste tafeltje bij het raam zat. Zelfs wanneer we een van de bioscopen in het centrum bezochten, was dat geen extraatje, aangezien we dat 's zomers, wanneer mijn vader werk zocht omdat de verenigingen geen feesten gaven en de theaters half leeg waren, zo dikwijls deden. Toch vond ik het steeds weer een wonderlijke, zo niet onthutsende beleving op klaarlichte dag in een stikdonkere zaal te belanden, waar ik op een klapstoel werd gezet en met de eerste films van Chaplin en Douglas Fairbanks, Mary Pickford en Lillian Gish kennismaakte, terwijl mijn vader de bioscoopdirecteur te spreken trachtte te krijgen en me kwam halen voor het spektakel ten einde was, met het gevolg dat ik iedere keer in het ongewisse bleef hoe het met de helden op het witte doek was afgelopen.

De drie echte vakantie-attracties keerden elk jaar terug, gedurende mijn hele schooltijd, van de eerste klas van de bewaarschool tot de zesde klas van de lagere school. Voor zover ik me herinner scheen in augustus altijd de zon en begon het dagje Scheveningen met mijn rode emmer met gouden sterretjes en de houten schep, waarmee ik 's morgens tussen mijn ouders naar het Delftschepoort-station liep. Op het stille strand, dat inderdaad stil was, zaten we in een kuil en mochten mijn kousen en schoenen uit. De ruimte, het licht, de strakblauwe hemel waartegen vliegers in alle kleuren plakten, de kuststrook met de duinen op de achtergrond, de pier en het Kurhaus in de verte waren overweldigend, en we aten geen gewone boterhammen maar broodjes met ham, die met een fles lauwe melk uit de city-bag te voorschijn kwamen. 's Middags kreeg ik een ijswafel en ging mijn vader met me pootjebaden. Over een strook schelpen die pijn aan mijn voetzolen deden naderden we iets onvatbaars, dat steeds sterker begon te ruiken en steeds luider op me afkwam - iets dat te groot was en me bang maakte, al durfde ik dat niet te laten blijken.

Daarmee vergeleken was het dagje Lommerrijk aan de Bergweg minder indrukwekkend, maar op zijn minst zo heerlijk. In plaats van mijn vader ging mijn grootmoeder mee, die de theetuin nog 'Vrouw Romein' noemde, zoals de uitspanning lang geleden heette, en zodra we de ophaalbrug over de sloot waren gepasseerd, holde ik vooruit langs het vroegere koetshuis en het café naar de speeltuin erachter - een soort paradijs met schommels en wippen in alle maten, rekstokken en ringen en hobbelpaarden, en als adembenemend middelpunt de beschilderde draaimolen met de steigerende, levensgrote schimmels en de kralenstrook met flonkerende spiegeltjes. Terwijl mijn moeder en mijn grootmoeder zich tussen de andere bezoekers (het waren er nooit veel) onder de oude kastanjebomen aan een tafeltje installeerden en karnemelk bestelden, rende ik op de duizelingwekkende hoeveelheid toestellen af, waarvan ik niet wist welk ik het eerst zou kiezen, en zwaaide zo hoog op de schommels dat ik de zon op het water van de Bergse Plas kon zien spetteren. Ten slotte brak eindelijk het moment aan waarnaar ik de hele dag had uitgezien, wanneer ik de twee cent kreeg om door de man van de draaimolen op een van de met juwelen bezette schimmels te worden getild. Na het luiden van de bel, het sein dat de droomrit een aanvang nam, begon het levende paard in het midden (naderhand heb ik gehoord dat het blind was) rond te lopen en klonk uit het binnenste mechaniek een blikkerig speeldozengeklingel, waarop ik gelukzalig langs de kastanjekruinen zweefde en telkens met één hand heel even de teugel losliet om naar mijn moeder en grootmoeder te zwaaien.

Het enige bezwaar van het Park was dat het helemaal aan de Westzeedijk lag, zodat mijn moeder en ik wel een uur moesten lopen om er te komen. Toch draafde ik meteen na aankomst over een grasveld achter mijn bal aan, tot we ons zoals ieder jaar naar de Heuvel begaven. Terwijl we op een bank de meegebrachte etenswaren nuttigden, keken we naar de boten op het woelige water van de Maas, die zich overrompelend voor ons uitstrekte, met aan de overkant het vertrouwde beeld van de twee groene torentjes op het gebouw van de Holland-Amerikalijn. Toen er eens een groot zeeschip, voortgetrokken door puffende sleepbootjes, langzaam en statig voorbijgleed, keek mijn moeder het na en zei: “Met zo'n schip is Harrie Hoefsmit naar Indië gegaan.” Ze zei het meer tegen zichzelf dan tegen mij, al wist ik dat zij er de man mee bedoelde die zij voor ze met mijn vader trouwde had gekend, en die haar altijd met haar verjaardag een brief uit het verre land stuurde en nooit vergat bij ons langs te komen als hij met verlof in Holland was.

Later ben ik zelden meer in Scheveningen geweest, noch in de speeltuin van Lommerrijk of in het Park aan de Westzeedijk. Maar wanneer ik in Rotterdam het restaurant van Hotel New York binnenloop, dat ooit het gebouw van de Holland-Amerikalijn is geweest, en achter een raam altijd weer geboeid word door het onvergelijkelijke uitzicht over de Maas, ga ik terug in de tijd en zie aan de overkant van het water een vrouw op een bank zitten, die een schip nakijkt en iets zegt dat het kind naast haar nooit is vergeten.