Col de Turini (1607 m)

Ik stop naast een bestelbusje en zie een vreemde man in de ruit. Hij heeft een glimmend hoofd met daarop een omgekeerd vergiet tegen het vallen. Rond zijn gezette lijf spant een vaal paars tricot met daarop in reflecterende letters: Fast. Dat mag een ironisch commentaar worden genoemd op de zwaartekracht die hier omhoog wil. Op zijn bilpartij kun je een theeservies kwijt. Hij zucht en schudt zijn benen los.

De klim naar de Col de Turini is vierentwintig kilometer lang en kent na een vlakke aanloop stijgingspercentages tussen de acht en twaalf procent. En dan heb je de Col de Vescavo (477 m) al gehad. Misschien niet al te hoog, maar het is toch een kuitenbijter, die je elke illusie omtrent een groeiende vorm ontneemt. Zeker als je uitgeslapen bent en op het heetst van de dag vertrekt.

De eerste twaalf kilometer, zeiden ze, doe je met de 'vingers in de neus', verzet maximaal 42x19, dat soort dingen. Nou dat valt nog knap tegen en al snel moet ik terugvallen op mijn kleinste verzet: 39x25. Maar het gaat en ik zet me opgewekt aan het tweede deel van de klim. Hier heb ik het afgelopen jaar minitieus naar toegewerkt. De kin uitdagend naar voren, negeer ik de uitlaatgassen van de dagjesmens.

De zon brandt in mijn rug, het asfalt zuigt en de weg trekt krom. Veel drinken is het devies. Het ravijn waarlangs ik fiets - tussen mij en de diepte een stenen muurtje van veertig centimeter - vraagt om ongelukken. Hoe hoger ik kom, hoe meer het me duizelt. Ik moet me blijven concentreren op de weg die voor me ligt: een eindeloos lint dat langzaam omhoog kronkelt tegen de zeealp. De geur van rozemarijn vermengt zich met gescheld op een boerenerf. We doen ons best.

Ik probeer het tempo erin te houden, maar harder dan tien kilometer wil het niet. Elke omwenteling is een nieuwe beproeving: duwen om niet om te vallen. En dan komen de vliegen: eerst tien, dan tientallen en in een mum van tijd wordt mijn trage gang begeleid door honderden vliegen, die in mijn oren kruipen, mijn neusgaten proeven, maar vooral als een dikke wolk rond zweterige armen en benen en rug zoemen. Hoe langzamer je gaat, hoe harder je wordt gestraft.

De mond ver open en ai, daar slik ik een vlieg in. Nog drie kilometer onder de top en ik stop zoals ik mezelf had beloofd. De koude overvalt me onmiddellijk. Rillend met een licht gevoel in het hoofd stap ik snel weer op. De vliegen hangen in een grote zwerm om me heen. Het slijm uit mijn neus trekt lange draden en als ik het professioneel uit een neusgat probeer te snuiten blijft een dikke klodder op mijn schoen achter.

Dit is een voorafschaduwing van de hel. Ik denk aan Les Mouches, het toneelstuk van Sartre. Vooral de passage waarin Elektra uitkraamt: '... ik ben rood als een rund dat pas geslacht is; alle vliegen zitten achter me aan, de veelvraten, en mijn hart is een afschuwelijk wespennest!'. Echt prettig voel ik me niet op weg naar de top van de Turini.

Zelfs fietsend water drinken lukt niet meer. Met één hand aan het stuur gaat het op een vlak parcours nog wel, maar klimmend is het toch te moeilijk. Bovendien zit de dure aluminium bidon heel strak in het houdertje. Wat helemaal niet lukt is ademen en drinken tegelijk. Na enkele slokken raak ik volkomen buiten adem, zodat de verluchting van het drinken alweer teniet is gedaan.

Op zulke momenten is elke kilometerpaal een cadeautje, vooral de markeringen die vlak na een haakse bocht staan opgesteld. Je zwoegt en draait en dan staat daar ineens zo'n bemoedigende oranje-witte steen. Weer duizend meter dichter bij het gedroomde doel. Wat minder helpt is de SOS-telefoon, die op een tergend steil stuk de eenzame fietser tegen zijn overmoed lijkt te willen beschermen.

Wie denkt dat de verbroedering in Europa vooral in grensstreken als deze opbloeit heeft het mis. Zo kom ik langs het opschrift Schengen = Danger = Immigration. De volgorde van deze hartekreet lijkt me niet logisch, ik zou daar graag eens over nadenken, nu even niet. Ik heb het te druk.

Volgens mijn teller moet ik er toch echt zijn, maar de werkelijkheid is anders. Nog steeds gaat de weg steil omhoog. Even denk ik dat mijn fietsbel rinkelend over het asfalt gaat, dan besef ik dat het een koeiebel is. We zijn niet voor niets in de Alpen. En daar openbaart zich de top: een halve cirkel hotels met dun bevolkte terrassen. Gejuich klinkt op voor sporters in het verre Atlanta. Hier is het stil en koud, niet meer dan dertien graden. Een oudere dame, het haar in de lichtpaarse kleur van mijn shirt, tikt vriendelijk doch beslist op haar voorhoofd, als ze me ziet afstappen, nou, afwankelen.

Met de Nice-Matin van gisteren onder mijn fietstrui tegen de ergste kou, begin ik aan de afdaling. De vliegen ben ik nu kwijt, maar verder is afdalen nog erger dan klimmen. Want als ik ergens benauwd voor ben dan is het wel snelheid. De hele massa been, vet en vocht wil wèl naar beneden en snel. Zo gauw het harder dan veertig gaat, hang ik vol in de remmen.

Het gevolg van al dat remmen is dat de velgen van mijn veel te sjieke fiets gloeiend heet worden, waardoor de lijm gaat lopen waarmee de tubes zijn vastgeplakt. En ze hebben me verteld in een postmoderne fietswinkel in Ventimiglia - waar ik veel te dure spullen heb gekocht - dat de band dan los kan gaan zitten. En op kale velgen ga je lelijk slippen.

Daar denk ik hevig aan terwijl ik van het uitzicht hoor te genieten. Al dat tobben zorgt er voor dat ik nog verkrampter op mijn fiets zit waardoor ik ook dooie tenen krijg. Over het schuren in mijn kruis, ondanks al het fijne zeemleer, zwijg ik nu maar even. Ik daal, rem, daal verder, rem nog meer, denk na over lijm, speur naar dennenappels, openslaande portieren en vooral katten.

Sinds ik tijdens een omloop langs de Amstel ben gecrashed over een kat, spied ik in de buurt van boerderijen voortdurend naar klein wild dat plotseling wil oversteken. De hechtingen in mijn bovenlip spelen altijd duchtig op bij zo'n afdaling.

Wat me ook heel veel angst inboezemt zijn de moderne trappers waar je met een soort skisysteem je schoenen in vastklikt. Als je stopt moet je wel vantevoren je voeten uit deze zelfgewilde klem hebben bevrijd, anders ga je geheid tegen de vlakte. Bij het allereerste stoplicht dat ik op deze trappers tegenkwam, dacht ik aan iets anders, en viel om. Alle voorbereidingen tevergeefs, geen goede tijd, kans op een klassering verkeken.

En trouwens wat zou er gebeuren als de remmen weigeren? Heeft die vraag zich eenmaal vastgezet in mijn hoofd, dan denk ik bij de eerste honderd bochten nergens anders meer aan. Ik zie mezelf in ravijnen donderen, met tachtig in het uur een boomgaard snoeien en geheel opengeraspt tegen een rafelige rotspartij tot stilstand komen.

Vraag me niet hoe het er uitziet daar bij de Col de Turini, er is teveel om op te letten. Het blijft een hoop narigheid, fietsen in landen waar het niet plat is. Ik daal nog steeds, loer naar losliggend grind in de bocht, en voel de warmte in mijn lijf terugkeren. De zoutkringen in mijn shirt vertellen een Olympisch verhaal. Maar niet te vroeg gejuicht: ik heb nu zestig kilometer gefietst en moet nog via de Col de Vescavo naar huis, waar niemand op mijn verhalen zit te wachten. Zou er überhaupt nog wel iemand zitten te wachten in dat afgelegen huisje zonder elektra?