Afrikaanse muziek in Delft

Festival: African Music Festival. Met Super Fatala, BGB Musica, Virginia Mukwesha, Seta Toure, Burundi Drummers, Super Diamono De Dakar, Manu Dibango en The Sankofa Band. Gehoord: 3/8, DHC Stadion, Delft.

Het African Music Festival treft het met het weer. Een jaar of tien geleden werd 's lands grootste openluchtfestival voor Afrikaanse muziek nog wel eens geplaagd - zeg maar rustig gegeseld - door harde wind, kou of slagregens, maar de laatste jaren staat de zon steeds hoog aan de hemel.

Tropische temperaturen werden zaterdag in het bomvolle Delftse hockeystadion niet gehaald, maar dat weerhield de vele duizenden bezoekers er niet van om met ontblote borst te dansen op de heupswingende soukous van de Zaïrese groep B.G.B. Musica of de jitimuziek van Virginia Mukwesha.

Soms lijkt het wel of het publiek hoofdzakelijk naar het festival komt om van de zon en de gezellige sfeer te genieten. Een grote groep mensen vlijt zich al vroeg in de middag neer op de grasmat met dekens, parasols, tenten, ijskoelers en manden vol proviand om ruim vóór het schemerdonker, wanneer de belangrijkste groepen nog moeten optreden, alweer huiswaarts te keren. Gezien die ontwikkeling is het misschien verstandig om de topattracties van het festival volgend jaar in de namiddag of in de vooravond te programmeren. Niet dat het aanbod zaterdag tegenviel. Integendeel. Het niveau van het gebodene was ook overdag zeer redelijk, al sloeg nergens de vlam in de pan.

De soukous van de Nederlandse asielzoekersband Bouger Bango Musica is nog niet aangetast door westerse funk en jazzrock, zoals zoveel Afrikaanse muziek, maar heeft nog iets authentieks. Telkens wanneer de oneindig doormalende ruwgerande gitaarriffs begonnen te vermoeien, zette de groep net op tijd een melodischer nummer in.

Interessanter was de vrolijke jitimuziek van de geëngageerde zangeres Virginia Mukwesha uit Zimbabwe. Jiti is als plattelandsmuziek ontstaan uit de stadse Kwela, waarbij de saxofoonpartijen door een vierstemmig koor zijn vervangen. In haar teksten wijst Virginia - vaak onder het krijten van de voor zuidelijk Afrika zo kenmerkende joejoejoe-geluiden - de vrouwen in haar land op hun recht op zelfbeschikking. Ook al zijn de rechten van vrouwen in het voormalige Rhodesië al sinds 1982 wettelijk vastgelegd, in de praktijk wordt blijkbaar nog vaak aan de oude tradities vastgehouden.

De Senegalese percussievirtuoos Seta Toure, die tegen zessen het podium betrad, is vooral bekend geworden door zijn groep Toure Kounda. Dit in 1979 in Parijs geformeerde gezelschap imponeerde enkele jaren geleden op het Utrechtse Africa Mama Festival met robuuste Afropop waarin de voorliefde voor jazz nog het meest opviel. Anno 1996 lijkt Toure te hebben gekozen voor een ingetogener geluid dat zeker niet slecht is, maar om een of andere reden ook niet beklijft.

Pas met het optreden van een uitgebreide slagwerkersgroep uit de midden-Afrikaanse republiek Burundi - het land dat nu zo pijnlijk wordt verscheurd door Hutu's en Tutsi's - werd duidelijk wat het festival 's middags had moeten ontberen: visuele krachtpatserij. Het werd een welhaast ritueel spektakel, waarbij de muzikanten regelmatig de drumstokken langs de keel lieten glijden om trouw aan hun land te zweren. Hun machtige paukslagen werden zelfs op vele meters afstand in het middenrif gevoeld. Na het optreden bleek nog eens hoe hard de Burundi Drummers op hun trommels hadden geslagen: alle vellen waren gescheurd.

Het duurde zeker een half uur voordat Oumar Pene & Super Diamono de Dakar gereed waren voor hun optreden. Ooit was deze Senegalese groep in eigen land even populair als Youssou N'Dour. Er is een tijd geweest dat beide rivalen de Senegalese hoofdstad Dakar met posters bestookten, maar alleen N'Dour brak enkele jaren geleden internationaal door dank zij de hit 'Seconds'. Oumar Pene leidde zijn groep door een veelheid van stijlen op de grens van jazz en afrorock, waarbij het geluid van de blazerssectie uit de synthesizer werd getoverd. Bij vlagen herinnerde de muziek aan die van Salif Keita, maar al na een half uur - te kort voor een afgerond oordeel - moest de groep het optreden afbreken om plaats te maken voor Manu Dibango.

De Kameroense saxofonist is zo langzamerhand een vaste verschijning geworden op Afrikaanse festivals. Meestal staat de kalende blazer borg voor een naar niets geurende mengeling van Afrikaanse muziek, jazz en soul. Maar doordat hij ditmaal een iets compacter gezelschap had meegebracht dat bovendien geraffineerd op elkaar bleek ingespeeld, was zijn optreden zaterdag een aardige verrassing. In deze tijden van monotone hiphop en house klinkt zijn Soul Makossa, die duidelijk is geënt op de soulmuziek van platenlabels als Stax en Atlantic, aangenaam fris.