Willem Frijhoff over het 'wij-gevoel' van de Nederlanders; Een volk van praters

Nederland is geen krachtige, gecentraliseerde staat, zoals Frankrijk van oudsher is. Onze nationale cultuur wordt ook niet van bovenaf opgelegd, maar bepaald door een gemeenschappelijke leefstijl, omgangs- vormen en gebaren. Volgens de historicus Willem Frijhoff zijn in de zeventiende eeuw al sporen te vinden van onze nationale vergadercultuur.

Ook zonder eigen staat zou Nederland een culturele eenheid vormen. Het 'wij-gevoel' van de Lage Landen is gebaseerd op gemeenschapsgevoel, niet op de centrale administratie. “De Nederlandse staat is een relatief jong verschijnsel. We voelen ons Nederlander door de manier waarop we met elkaar omgaan, en niet doordat we samen tot dezelfde grandioze staat behoren.” Aan het woord is de historicus Willem Frijhoff (54), nu nog hoogleraar culturele en mentale aspecten van de pre-industriële samenlevingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, maar binnenkort hoogleraar Nieuwe Geschiedenis (1500-1870) aan de Vrije Universiteit, als opvolger van A.Th. van Deursen.

Frijhoff: “De staatsmacht moge afkalven door Europese eenwording en regionalisering, de Nederlandse 'cultuurnatie' is sterker dan ooit.”

In zijn werkkamer in het Rotterdamse Hillegersberg legt hij uit dat Nederland niet, zoals Frankrijk, van oudsher een krachtige, gecentraliseerde staat is, die het volk een nationale cultuur van bovenaf kan opleggen. Pas omstreeks 1800, toen landen als Frankrijk en Engeland al een middeleeuwse staatstraditie hadden, kwam in Nederland een 'natiestaat'. De Nederlanders hadden elkaar - onder het bewind van de staatkundig nogal wrakkige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden - als cultuur-natie allang gevonden: in gewoonten en omgangsnormen. En in gebaren. “Weet jij wat dit is?”, vraagt Frijhoff en hij tikt met zijn vinger iets boven zijn slaap. “Slim hoor!, betekent dat natuurlijk, soms ironisch bedoeld. Een typisch Nederlands gebaar. Elders betekent het dat je gek bent. Maar daar hebben wij dit voor.” En de professor tikt op zijn voorhoofd.

Frijhoff, die voordat hij in 1983 in Rotterdam benoemd werd zestien jaar bij wetenschappelijke instituten in Parijs werkte: “Frankrijk mag dan prat gaan op een bloeiend cultureel leven, maar als cultuurnatie, als nationale gemeenschap met een gemeenschappelijke leefstijl en een gedrags- en waardenpatroon, is het relatief zwak ontwikkeld. In Frankrijk berust het nationale wij-gevoel vooral op symbolen die van staatswege worden gestimuleerd. Als je in Frankrijk kritiek hebt op de atoombom, zegt iedereen: 'Dat is mijn bom', ook al kan het veel Fransen niet veel schelen. Het is een symbool voor de staatsmacht. Iets dat de staat doet is daar in beginsel goed. Bij ons ligt dat anders. Frankrijk is samengesmeed door centrale machthebbers in Parijs, van middeleeuws koninkrijk tot de moderne presidentiële republiek.”

Volgens Frijhoff speelt de staat niet zo'n grote rol in ons zelfbeeld. “Kijk naar koninginnedag, een van de uitgelezen momenten waarop Nederland zichzelf Nederland vindt. Dat is een strikt gemeenschapsritueel, dat niets met de staat te maken heeft. Dat Nederlanderschap komt tot uiting in steeds meer gemeenschapsrituelen: straat- en dorpsfeesten, vrijmarkten, Sinterklaas, het zingen van het Wilhelmus, Sail, de Vlootdagen. Allemaal op strikt egalitaire basis. Als Nederlander weet je: doe je er aan mee, dan hoor je erbij. Wie ter plekke aanwezig is en niet meedoet stelt zich buiten de nationale gemeenschap. De Nederlandse identiteit moet vooral in dit soort rituelen en gewoonten worden gezocht.”

Het gevoel van 'eenheid' tussen inwoners van Heerlen en Groningen ligt niet in de overtuiging samen deel te hebben aan een natie van Roemrijke Daden en Grote Cultuur - zoals bij de inwoners van Lille en Perpignan. De nationale taal is handig, maar wordt niet verheerlijkt. Hier worden de regionale verschillen vooral overbrugd door de gemeenschappelijke 'manier van doen', en door het besef dat er over alles te praten is, dat 'we er samen wel uitkomen'. In Nederland is de staat voornamelijk 'verzorgingsstaat': het verdeelkantoor van de samen verdiende welvaart. Zelfs in het zwaartepuntloze Nederlandse wegennet komt het gebrek aan hiërarchie tot uiting.

Bij zijn langdurig verblijf in het buitenland viel het Frijhoff op “hoe emotioneel het gezamenlijk eten van een beschuit met muisjes of een boterham met hagelslag kan zijn.” Een jaar geleden zag hij op de tentoonstelling Toen zij uit Rotterdam vertrokken filmpjes over emigranten. “Niet zozeer het landschap of het vaderland wekten nostalgie, maar de regio van herkomst en de simpele gebaren waaraan Nederlanders elkaar herkennen, de rituelen en symbolen van het Nederlandersschap.”

De vormen veranderen met de tijd, aldus Frijhoff, maar het gemeenschapsgevoel blijft verrassend constant. “De gekte rond Ajax en het Nederlands voetbalelftal is er niet altijd geweest. Koninginnedag is er ook nog maar een eeuw - en al helemaal niet in deze vorm. De toename van nationale rituelen wijst op de behoefte ons als gemeenschap te manifesteren.” Met de culturele revolutie van de jaren zestig is de belangrijkste factor gebroken die de Nederlanders in groepen gescheiden hield: de georganiseerde godsdienst.

Corporate identity

Onlangs hield Frijhoff een rede voor de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) over de Nederlandse 'cultuurnatie'. Daarin zette hij onder meer uiteen dat juist nu, bij de Europese eenwording, deze 'eeuwenlang gegroeide collectieve gedrags- en waardenpatronen' belangrijk worden. Het bewustzijn van de eigen identiteit wordt groter. “De klad is gekomen in het impliciete uitgangspunt van een lineaire groei van Europa's culturele eenwording. (...) Naarmate verder aan Europa als superstaatnatie en als corporate identity Europe wordt gebouwd, zullen de conflicten voorspelbaar toenemen en zullen ze de onderlinge betrekkingen steeds meer gaan beheersen.” Als voorbeeld van zo'n culturele twist noemde Frijhoff de Franse beschuldiging aan Nederland dat het een 'narco-état' zou zijn, een drugsstaat. “Daar zou een Nederlander toch nooit opkomen? Wij zouden over onszelf hooguit zeggen: dit is een drugssamenleving. Want in onze ogen is het vooral de samenleving die drugs tolereert, de staat heeft niet veel meer keus dan te volgen.”

Het Nederlandse gemeenschapsgevoel en het Franse 'étatisme' is niet typisch het verschil in zelfbeeld tussen een rustig, klein land en een grote, machtige staat die een omvangrijk, regionaal verdeeld territorium moet besturen. Frijhoff: “Denemarken is een klein land, maar al sinds het begin van de zeventiende eeuw bestaat daar een krachtige staatsstructuur. Het Deense natiegevoel heeft meer overeenkomsten met Frankrijk dan met het onze. De Denen hebben ook moeite met overdracht van soevereiniteit aan Europa. Nederland lijkt in dat opzicht meer op Italië - dat ook altijd erg Europees gezind is geweest, niet toevallig. Italië heeft wel een centrale staat, maar is toch erg federaal. Voor Nederlanders maakt de plaats van het staatsgezag niet zo veel uit. Er moeten allerlei gemeenschappelijke zaken geregeld worden, maar of dat in Den Haag gebeurd of Brussel doet er niet veel toe. Maar hoe zou Nederland reageren als er een Europese staat naar Franse snit zou ontstaan? En er ontstaan sowieso problemen als Europa over al de verschillende structuren heen wordt gelegd. Hoe verzoen je al die verschillende manieren waarop besluiten tot stand komen? Als een Nederlandse minister in Straatsburg of Brussel beloften doet die hier in Nederland niet worden overgenomen, dan verkeert hij in een andere situatie dan zijn Franse collega die het zelfde heeft beloofd. De staatsdwang heeft hier een andere status.” Cijfers

Frijhoff kreeg zijn geschiedwetenschappelijke vorming in het Parijs van de jaren zeventig en dacht toen vrij strikt economisch en 'kwantitatief'. “ We hadden het idee dat cijfers houvast geven. We maakten tabellen op twee cijfers achter de komma, voor gegevens uit de zeventiende en achttiende eeuw. Zo dachten we een samenleving te kunnen begrijpen. Maar zo'n precisie is een illusie. Eind jaren zeventig is er een omslag gekomen, met meer aandacht voor het vertellen van een verhaal.” Eind vorig jaar publiceerde Frijhoff een 900 pagina's dik boek over het leven van een zeventiende-eeuwse Hollandse weesjongen die twee visioenen kreeg en later predikant in Nieuw-Amsterdam (New York) werd - een complex maar 'klassiek' geschiedenisverhaal over godsdienst en beschaving, zonder enige tabel. In die 'gouden' eeuw van de Nederlandse geschiedenis, waarin het levensverhaal van de weesjongen Evert Willemsz speelt, ligt een belangrijke basis van het huidige 'natiegevoel': niet zo zeer in de verering van de heldendaden van Michiel de Ruyter, maar in de onduidelijke, nogal krakkemikkige macht van de Republiek waarbinnen de Nederlandse 'cultuurnatie' opbloeide. Frijhoff: “De Nederlandse Republiek had een vage structuur. De macht bevond zich op lokaal niveau, bij de stadsbestuurders en de staten van de gewesten. De staten-generaal waren niet meer dan een afgeleide daarvan. Er was wel een bepaalde identiteit van de republiek als geheel, maar de legitimiteit kwam van onderaf, van de steden.”

Frijhoff laat in zijn boek zien hoe het weesjongetje Evert Willemsz, die uiteindelijk in een schipbreuk voor de kust van Wales om het leven komt, goedgebruik maakte van de mogelijkheden in de toenmalige samenleving. Door detaillistische beschrijvingen en analyses van mensen en situaties in en rondom het leven van Evert probeert Frijhoff 'het leven en de wereld' te benaderen zoals de mensen het toen ervoeren. “Zo heb ik minder greep op de werkelijkheid als geheel, maar wel op de manier waarop iemand toen met zijn leven omging.”

In de Gouden Eeuw, waarin al veel van onze mentaliteit te herkennen is, hadden de mensen veel mogelijkheden. Frijhoff: “De samenleving was niet verstard, mensen konden zich relatief makkelijk een speelruimte veroveren. In de tijd dat die jongen leeft, de eerste helft van de zeventiende eeuw, zijn we nog in oorlog met Spanje, de onafhankelijkheid is nog geen halve eeuw oud. Door de verwerping van het Spaanse gezag ontstaat ineens een enorme vrijheid. De vraag is niet meer: 'Wat zal de koning beslissen?' Het hoogste gezag ligt bij de burgers, de steden. Doordat Nederland niet zo'n sterke staat had, konden de burgerlijke groepen vrijelijk hun eigen belangen nastreven. Ook Evert ziet een mogelijkheid en grijpt die aan. Hij wordt predikant. Hij bevindt zich nog in een relatief laag sociaal segment, maar daarbinnen is hij redelijk ver gekomen in wat hem voor ogen stond. Ik vind dat de vrijheid die nodig is voor een individuele ontplooiing, in Nederland nog altijd relatief groot is.”

Wat de Nederlanders vanouds bijeen houdt, is het samen praten. In Frijhoffs boek Evert Willemsz wordt heel wat afgepraat en geredetwist. Frijhoff: “In die mate is dat geen algemeen menselijk verschijnsel en die praatcultuur bestaat nog steeds. Het Nederlands heeft er verrassend veel woorden voor, positief en negatief: kneuterigheid, knusheid, ouwehoeren, ouwejongenskrentenbrood, enzovoort. Allemaal aanduidingen voor het feit dat het groepsgevoel, de natievorming, bij ons van onderop komt. Onze eenheid ligt in de manier waarop we tot besluiten komen. De Nederlandse staat is er om de gemeenschap te dienen, en niet andersom zoals soms in Frankrijk.

“De vergadercultuur is daarom een van die typisch Nederlandse rituelen waarin we onszelf herkennen - of we het leuk vinden of niet. Eigenlijk is hier niemand de baas, iedereen is de baas, en dat moet op alle mogelijke manieren gezegd worden. Inspraak, medezeggenschap, participatie. In Nederland worden besluiten genomen door met elkaar om de tafel te gaan zitten. Daarom worden ook om de haverklap door politici allerlei ideeën naar voren gebracht. Vaak leidt dat niet tot beslissingen, de bedoeling is iets ter discussie te stellen, kijken hoe het valt en 'indien nodig nemen we het wel weer terug'. Zo wordt langzaam een basis voor overeenstemming gelegd, een 'draagvlak'.”

Groepsdwang

Samen meedoen op de vrijmarkt, gemeenschappelijke gebaren, alles bespreken, eens zien hoe de hazen lopen - weinig hiërarchie - zo kennen we de Nederlanders. Maar leidt dit type cultuurnatie niet tot een overmaat aan groepsdwang en dus een beperking van de vrijheid? Frijhoff: “Dat hangt af van wat je vrijheid noemt. De vrijheid die we in Nederland hebben is relatief groot, maar ze wordt wel op allerlei manieren beknot. Nederland hangt aan elkaar van conventies. Aan alle kanten word je aan aan banden wordt gelegd door de gedachte: 'ik moet rekening houden met die want daar hangt weer opinie zus vanaf'. De sociale druk is groot. Niet voor niets wordt vaak gezegd dat Nederlanders op elkaars lip zitten.

“Een voorbeeld is het homohuwelijk. Het is typisch Nederlands om een afwijkende relatie in een bekende vormstructuur te gieten: het huwelijk. Hoe komen we daarbij? Kunnen homo's niet zonder? Nee, dat moet weer zo nodig in een huwelijksvorm worden geformaliseerd. Al doe je iets wat buiten de conventies ligt, het komt bijna altijd weer terug bij die vaste patronen. In de Franse autoriteitscultuur wordt gedacht: laat die man of vrouw zelf maar beslissen. Het is een gepolariseerdere samenleving: de autoriteit boven en daaronder de mensen die niet meedoen aan de besluitvorming. Consensus ontstaat daar pas achteraf. Tegenstand komt niet van inspraak of participatie, maar hooguit van een sterk geïnstitutionaliseerde tegenstelling van de vakbonden. In Frankrijk speelt zo'n homohuwelijk helemaal niet, daar hoeft afwijkend gedrag niet in een structuur te worden gegoten. Toen ik er als 24-jarige op de universiteit kwam, belandde ik in totaal andere gezagsverhoudingen, maar juist daardoor kreeg ik veel kansen. Iemand is er duidelijk de baas en bepaalt wat er gebeurt. Maar mits de normale gang van zaken gewaarborgd is, is de vrijheid redelijk groot. De marges om wat anders te doen zijn dan groter dan in Nederland.”

Hoe groot is de overeenkomst tussen ons en de 'Nederlanders' uit de zeventiende eeuw? Frijhoff: “De oervorm van de vergadercultuur zouden we overal herkennen. Er is veel veranderd, maar ik denk dat je veel overeenkomsten zult vinden als je huishoudelijke reglementen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie of van een kerkenraad vergelijkt met die van nu, van een voetbalvereniging of Hoogovens. Zo'n 'habitus' die onbewust wordt overgeleverd als 'zo doen we het nu eenmaal', overleeft wel de negen à twaalf generaties die ons van de zeventiende eeuw scheiden. Een groot verschil is dat veel meer mensen toen buiten het wij-gevoel waren geplaatst. Niet alleen was het klootjesvolk van de besluitvorming uitgesloten, maar mensen die anders reageerden of dachten werden eigenlijk niet als mensen beschouwd. Voor ons is dat onbegrijpelijk, maar zo was het.”