Waarom Oom Thaung in Rangoon geen dokter werd

RANGOON, 3 AUG. De beste linzencurry van Rangoon eet je bij oom Thaung, dat weet iedereen. Hij serveert er versgebakken chapatibrood bij en schenkt jasmijnthee in kleine napjes. En dat alles voor nog geen 50 kyat (drie kwartjes), het is geen geld. In het eenvoudige eethuis verdringen de Birmezen zich voor een plek aan een van de formicatafeltjes. Ooms zaken lopen prima.

En toch is hij niet tevreden. Thaung was liever dokter en dat zou hij ook worden, maar in zijn laatste studiejaar werd hij wegens politiek activisme gearresteerd. De opleiding mocht hij nooit afmaken.

U (oom) Thaung, een veertiger nu, begint na een praatje over de moesson spontaan over zijn verleden. Het zit hem hoog, hij slikt een paar keer, zijn droeve ogen vragen om begrip. Hij was medisch student in de jaren zeventig en raakte betrokken bij acties tegen de militaire dictatuur. In maart 1976, veertien jaar nadat het leger, de Tatmadaw, de macht greep, hadden aan de universiteit van Rangoon felle protesten plaats tegen het regime. Thaung werd opgepakt en verloor daarna de controle over zijn eigen leven. Hij verdween voor lange tijd achter de tralies. Midden jaren tachtig kwam hij vrij, maar een kans op maatschappelijke ontplooiing kreeg hij niet. “Ik kreeg een rode stip op mijn conduitestaat. Dat betekent dat je verdacht bent en dat agenten je bewegingen permanent in de gaten houden.”

Toen in 1988 een vreedzame volksopstand, groter dan ooit tevoren, plaatshad dacht Thaung dat de tijd van de grote ommekeer echt was gekomen. Opnieuw wierp hij zich vol overgave in de strijd. Weer mis, in augustus en september van dat jaar greep de Tatmadaw keihard, ook harder dan ooit, in. En weer was oom Thaung het haasje, opnieuw gearresteerd. “Ik kreeg zonder vorm van proces vijf jaar cel. De langste tijd daarvan heb ik doorgebracht in de (beruchte) Insein-gevangenis in Rangoon. Het regime beschouwde me als een misdadiger en daarom deelde ik de cel met echte criminelen. Een vriend van me is in zijn cel doodgeslagen door andere gevangenen.”

Oom Thaung wil niet vertellen wat hij aan den lijve heeft meegemaakt. Bent U gemarteld? Hij zwijgt lange tijd en zegt dan: “Ik heb alles opgeschreven, alles. Op een dag zal ik het naar buiten brengen.”

In 1993 kwam hij vrij en begon een restaurant, samen met twee lotgenoten. Gedrieën hebben ze nu een heuse keten van drie eethuisjes - want die vrijheid hebben ze wel in Birma, waar na 1988 het marktmechanisme zijn gang mocht gaan. Oom zal nooit meer dokter worden, maar eens, “als de vrijheid komt”, hoopt hij financiële hulp te kunnen aanbieden in ziekenhuizen. Voor nu spoelt hij de theekopjes nog maar eens om in het collectieve plastic teiltje met lauw water. De rekening voor de maaltijd mag beslist niet worden voldaan. “Kom nog maar eens terug”, zegt hij.

De geschiedenis van U Thaung is een van de vele duizenden persoonlijke tragedies in Birma. Meestal is een half woord genoeg om de mensen hun verhaal te laten vertellen. De taxichauffeur die eigenlijk ingenieur is, een tot liftboy gedegradeerde chemicus. Of neem Than Htut, die bij de Sule-pagode met zijn ziel onder de arm loopt - “niet betrouwbaar, geen werk” - en nu tegen een kleine commissie werkt als geldwisselaar voor een handige vrije jongen. “Ik begrijp zo'n regime niet. De beste dokters, de beste wetenschappers staan aan de kant. Selectie heeft plaats op politieke gronden, niet op intellectuele. Dat lijkt me niet verstandig”, zegt een advocate uit Maleisië die vaak in Birma is voor het juridisch 'afdekken' van zakelijke transacties. Zaken zijn zaken, maar voor haar plezier komt Lee niet uit Kay-El (Kuala Lumpur) over naar Rangoon.

Het Birmese leger nam na de turbulente gebeurtenissen van 1988 de apocalyptische naam SLORC aan (een afkorting voor State Law and Order Restoration Council). In feite kwam het neer op het verhangen van enkele bordjes, hetzelfde slag generaals bleef de dienst uitmaken. De vrijlating (na zes jaar huisarrest) van oppositieleidster Aung San Suu Kyi, vorig jaar juli, leek voor de zoveelste keer het begin te kunnen zijn van een nieuwe tijd.

Maar, zoals Amnesty International in een vorige maand verschenen rapport schreef: “Er is niets veranderd.” Integendeel: “Het aantal politieke arrestaties is sinds november 1995 dramatisch gestegen. Ongeveer duizend politieke gevangenen zitten verspreid over het hele land vast.” Eind mei had de grootste arrestatiegolf plaats, waarbij meer dan 300 leden van Aung San Suu Kyi's Nationale Liga voor Democratie (NLD) werden opgepakt. Van hen zit naar schatting eenderde nog steeds gevangen.

De Birmese minister van Buitenlandse Zaken, Ohn Gyaw, herhaalde dezer dagen in een brief aan de Associatie van Zuidoostaziatische landen (ASEAN) dat de NLD-leden “alleen tijdelijk zijn aangehouden voor ondervraging”. Birma had vorige maand voor het eerst de gewichtige status van waarnemer op de jaarlijkse ministersvergadering van de ASEAN. Die positie is het opstapje voor een volledig lidmaatschap van de associatie volgend jaar.

Voor de zeven ASEAN-leden (Maleisië, Thailand, Singapore, de Filippijnen, Indonesië, Brunei en Vietnam) is Birma salonfähig geworden door de invoering van een markteconomie. Dat het leger de toon zet op de markt en in feite de grootste handelaar is, speelt geen rol in Zuidoost-Azië. Volgens Birma-kenner Bertil Lintner, woonachtig in Bangkok, heeft het leger in Birma “de absolute macht”. “Militairen controleren alle belangrijke zakelijke transacties. Zelfs een kleine handelaar kan niet overleven zonder contacten in het leger. Nergens in Azië is een leger zo diep verankerd in de samenleving en nergens lijkt verandering onwaarschijnlijker”, aldus Lintner.

De Birmese militairen zijn al 34 jaar aan de macht, een hele generatie burgers in het land weet niet beter. De generaals hebben zich bij tal van crises uitstekende overlevers getoond. Ook nu lijkt zich weer een inzinking te hebben aangediend met de terugtrekking van Heineken en Carlsberg. Het is een kwestie die het bewind meer zorgen baart dan officieel wordt toegegeven. “Volkomen onbelangrijk” noemde een regeringsfunctionaris het besluit van de Europese bierbrouwers. Daarmee poogt het regime zichzelf gerust te stellen, want vooral met Heineken aan de tap zagen de Birmese militairen een mooie kans opgenomen te worden in de maalstroom van de internationale gerespecteerde markt. Maar in handelsvolume zal het vertrek van de brouwers inderdaad weinig effect sorteren, aangezien zowel Nederland als Denemarken tot de kleinere investeerders behoorde in Birma.

De Britten en de Fransen, respectievelijk investeerder nummer 1 en nummer 3, hebben nog niets van hun plannen laten varen. Zelfs als uit Europa of de Verenigde Staten een vervolg komt op het annuleren van contracten baart dat Birma geen zorgen. De generaals weten zich verzekerd van steun uit vrijwel alle Aziatische landen, die met gulzige slokken de opengevallen plaatsen zullen innemen.

Na de Singaporezen (nummer 2 op de ranglijst van investeerders) zijn nu de Zuidkoreanen sterk in opkomst. De Koreaanse 'superondernemingen' Samsung, Daewoo en Ssangyong en enkele kleinere bedrijven hebben grote investeringsplannen in Birma aangekondigd. Thin Maung, hoofd van het Birmese Directoraat voor investeringen en bedrijfsadministratie zegt zelfverzekerd: “We zijn aangekomen in het fin-de-siècle. We weten dat de groeimarkt de volgende eeuw in Azië ligt, niet in Europa of Amerika. Daarom maken we ons niet druk om Westerse sancties.”

Het regime is duidelijk ook niet langer van plan vriendelijk of beleefd te reageren op Westerse kritiek. Hautain wees de SLORC kritiek van de hand op de dood van James Nichols, de consul voor Noorwegen, Denemarken, Zwitserland en Finland. Nichols, een Birmees met Brits bloed die bevriend was met Aung San Suu Kyi, stierf op 22 juni in de gevangenis, waar hij een straf van drie jaar uitzat wegens “ongeautoriseerd gebruik van telefoon en fax”. De 65-jarige Nichols was hartpatiënt en stierf volgens Rangoon een natuurlijke dood. Met name de Deense regering zette achter die lezing vraagtekens. Naar aanleiding van Nichols' dood voerden pressiegroepen actie in Europa en Amerika die vrij snel leidde tot de terugtrekking van Carlsberg en Heineken.

Het Birmese regeringsblad The Light of Myanmar kwam pas onlangs op de kwestie terug. Nichols heet in een uitvoerig scheldstuk “een onbetekende boef die zijn verdiende loon kreeg”. De schrijver, ene Byatti, zegt dat het Westen de zaak “schromelijk heeft overdreven”. Nichols was “een slechterik die was voorbestemd om zo te sterven, als een vorm van vergelding”.