Voordat Cobra zich door de burgerij liet knuffelen

Tentoonstelling: Cobra en de jaren vijftig. T/m 15 sept. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 6, Amsterdam. Dag 11-19u. Bulletin ƒ 5,-

Twee schilderijen. Het ene is kort geleden gemaakt, 'en plein soleil', en biedt uitzicht op een dampend Italiaans dal. Het andere dateert van veel meer jaren terug en stelt een dier voor dat een dolgedraaide wetenschapper in elkaar had kunnen zetten. Uit het lichaam van een schilpad groeit een giraffekop, aan de snuit zitten slagtanden als die van een zeeleeuw.

Karel Appel schilderde dit groteske 'Dier' in 1949. De kleuren zijn fijnzinnig, het verfgebruik is subtiel. Dat plompe beest, dat nooit in werkelijkheid mag bestaan, wekt ontroering.

Het landschap dat Appel in 1995 maakte in de buurt van zijn zomerhuis in Toscane en dat ook te zien is geweest op de recente Couplet/Munch-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, mist alles wat het 'Dier' heeft. Kleurgevoel, een genuanceerd materiaalgebruik, uitstraling. De verf is bruusk op het doek geplet, de kleuren zijn schril. Appel is niet meer wat hij ooit was, moet iedereen concluderen die op weg is naar de tentoonstelling Cobra en de jaren vijftig in de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum.

Die vergelijking tussen toen en nu is even voor de hand-liggend als onontkoombaar. Want behalve dat iedere bezoeker van de expositie in Amsterdam Appels nieuwe werk (een 'aankoopvoorstel' volgens het begeleidende bordje) móét passeren, is ook algemeen bekend hoe het sommigen van de vroegere Cobra-kunstenaars is vergaan. Corneille en Appel bijvoorbeeld, hebben zich de laatste tien jaar laten knuffelen en koesteren door het burgerlijk bestel. Diezelfde 'verrotte klassenmaatschappij' waar de twee Nederlandse experimentelen na de oorlog zo hard tegenaan schopte, koopt nu alles wat de schilders maar op het doek of papier uitsmeren. Ook variaties op variaties op variaties.

Maar deze werkelijkheid moet je verdringen. Want ze ligt nog in een heel ver verschiet, als in 1949 de belangrijkste tentoonstelling van leden van de Cobra-beweging in het Stedelijk Museum wordt georganiseerd. De toenmalige directeur Willem Sandberg haalde de internationale beweging - met kunstenaars en schrijvers uit Copenhagen, Brussel en Amsterdam - binnen de muren van het museum. Met behulp van gemeentegelden kocht hij snel en gewiekst werk aan. Appels 'Dier' bijvoorbeeld al in 1949, hetzelfde jaar dat het beest geconcipieerd werd.

Het Stedelijk Museum heeft zo in de loop der tijd een vermaarde collectie 'Cobra'-kunst - Cobra bestond slechts tussen 1948 en 1951 - en kunst van navolgers opgebouwd. Samen met het Stedelijk Museum in Schiedam en het vorig jaar geopende Cobra-Museum in Amstelveen hoort de verzameling van het Amsterdamse Stedelijk Museum tot de drie belangrijkste Cobra-collecties van Nederland. En Cobra-werk - zeker het vroege van Constant, Corneille, Appel, Pedersen en Jorn - is zinderend, vitaal, lachwekkend en verademend. Nog steeds, na al die jaren.

Daarom is het ook zo jammer dat deze expositie zo gemakzuchtig in elkaar is gezet. Het Stedelijk Museum is in zijn depot gedoken, men heeft wat schilderijen, beelden en tijdschiften bij elkaar gezocht, en daar twee verdiepingen mee gevuld. Van samenwerking tussen de drie musea is geen sprake geweest. Bruiklenen zijn afwezig. De tentoonstelling Cobra en de jaren vijftig, die overigens in het bulletin van het museum Cobra en het Stedelijk Museum wordt genoemd, is een zomertentoonstelling van het lichtste soort.

Er is niet geprobeerd het eerste stamelen van Cobra in een breder perspectief te plaatsen. De tekst in het bulletin beperkt zich tot een bloedeloze opsomming van het aankoopbeleid van Sandberg. Wat Cobra betekende voor het Stedelijk Museum, welke feesten er bij de opening werden gehouden, 'het enthousiaste handgemeen' dat naar aanleiding van een manifest van het Belgische Cobra-lid Dotremont uitbrak, de discussies in de pers: dat ontbreekt allemaal op de tentoonstelling.

Wat resteert zijn de wondermooie werken van Jorn ('In de vleugelslag van wilde zwanen'), van Pedersen ('Goede jongen met zijn wilde paarden'), van Appel ('het Kleurige leven') en Corneille ('Jour d'Eté'). In de van alle kanten door het zonlicht belaagde nieuwe vleugel laten zij iets zien van het grenzeloos optimisme, de schrikaanjagende verbeeldingskracht en het idealisme waarmee Cobra werd opgericht. Cobra was een slang die siste, stak en onbarmhartig kietelde. Ze was nog geen slang in haar eigen staart beet, laat staan dat iemand bij machte was haar te bezweren.

    • Lucette ter Borg