Uitgevers doorstaan turbulente maand op effectenbeurs; De Handige Vijf doen 't hem weer

AMSTERDAM, 3 AUG. Van Warren Buffet is bekend dat er op zijn bureau bij investeringsmaatschappij Berkshire Hathaway geen koersenterminal prijkt. Buffet, de stockpicker bij uitstek, is niet geïnteresseerd in de dagelijkse schommelingen op de effectenbeurs. “Zou je de raad opvolgen van een manisch-depressieve adviseur?” zo luidt een van zijn (vele) adagia.

Nou dan, waarom zou je je dan laten leiden door de grillen van de beurs, waar himmelhoch jauchzend in de laatste weken soms in een uur tijd om kon slaan tot zum tode betrübt?

Buffets succes, zo blijkt uit zijn hagiografie The Warren Buffet Way, komt neer op het investeren in bedrijven die in het verleden hebben bewezen winstgroei om te kunnen zetten in waardegroei. Als hij eenmaal zijn keuze heeft gemaakt, kan hij zeer lang aan een investering vasthouden. Dat lijkt saai, maar Buffet heeft het gelijk van een miljardenvermogen, in de jaren vijftig gestart met 100 dollar, aan zijn kant.

Bekende, grotere bedrijven met een vaste winst- en waardegroei zijn op Wall Street op dit moment het gesprek van de dag. Herinneringen worden opgehaald aan de nifty fifty (“handige vijftig”), de groep van bedrijven die vanaf eind jaren zestig tot de grote beursmalaise in de jaren zeventig uitstekend presteerden op een wankele effectenbeurs, om geen andere dan de simpele reden dat iedereen graag in hen investeerde. Waardoor een groep van doorsnee-bedrijven werd omgetoverd in een spectaculair verschijnsel, dat een kwart eeuw later nog wordt herdacht.

Die herdenking is geen toeval. In de vier weken van wilde schommelingen op Wall Street die volgden op de inflatie-angstaanjagende publicatie van de hoge Amerikaanse werkgelegenheidscijfers over juni op vrijdag 5 juli, is naarstig nagedacht over vluchtroutes op de aandelenmarkt. Een door de Amerikaanse effectenbank Morgan Stanley samengestelde portefeuille van hedendaagse oude, getrouwe beursfondsen als Boeing, AT&T en Merck, blijkt de storm op de effectenbeurs beter dan gemiddeld te hebben doorstaan, en is dit jaar al bijna 20 procent meer in koers gestegen dan de beursindex.

Heeft het Damrak ook zulke aandelen? Tussen de publicatie van de Amerikaanse werkgelegenheidscijfers over juni vorig maand, en de geruststellende publicatie over juli van gisteren is het een wilde tijd geweest op de effectenbeurzen, maar is er per saldo weinig veranderd. De AEX-index eindigde vrijdag 5 juli op 558 punten, en stond gisteren nog geen anderhalf procent lager op ruim 550 punten, terwijl er in de stormachtige tussentijd een dieptepunt werd bereikt van 512 punten. Tussen de aandelen onderling is er flink wat veranderd. Van de grote beursfondsen hebben de cyclische bedrijven KNP BT, DSM, Hoogovens, Koninlijke Olie (door de chemie-sector), Van Ommeren en Nedlloyd harde klappen opgelopen. Zij leden koersverliezen van tussen 11,3 procent en 7 procent ten opzichte van de AEX-index.

De groep van winnaars is minder eenduidig, maar één sector valt op: de uitgevers. Alle Nederlandse uitgevers deden het de laatste turbulente maand beter dan de index. Van de drie grootsten deed Elsevier het 1,7 procent beter dan de AEX, Wolters Kluwer 3 procent en VNU spande de kroon met 7,8 procent. Ook De Telegraaf en Wegener kwamen positief uit.

Deze Handige Vijf, om het schaalverschil met Wall Street niet uit het oog te verliezen, verheugen zich al sinds jaar en dag in de belangstelling van beleggers. Sinds begin 1985 is er geen jaar geweest dat een belegging in de vijf uitgevers het niet beter deed dan de AEX. De koers van Wolters Kluwer (rekening houdend met de tussentijdse fusie) is sindsdien verachttienvoudigd, en steeg per saldo zes maal meer in waarde dan de AEX zelf. Wegener deed het bijna vijf maal beter dan de beurs, Elsevier vier maal beter, de Telegraaf en VNU tweemaal zo goed.

Er zijn natuurlijk verschillen tussen de fondsen. Tot begin jaren negentig waren De Telegraaf en Wolters beurtelings de beste keuze. Maar sinds 1992 deed VNU het over het algemeen het best.

Vanaf 1 januari dit jaar (bij een AEX-stijging van ruim elf procent) bedraagt de outperformance van VNU zelfs 13 procent, die van Wolters Kluwer 12,4 procent, De Telegraaf 10 procent, Elsevier 6,7 procent en Wegener 3,8 procent.

Waarom doen de uitgevers het zo veel beter dan de rest? Daar zijn Buffetachtige redenen voor: hun ingehouden winst zetten ze om in waardegroei. Maar zeker zo belangrijk is dat de meeste grote beleggers de Handige Vijf tot nu toe simpelweg altijd wel in hun portefeuille willen hebben.

Dat nifty fifty-effect heeft de uitgevers tot nu toe flink geholpen: het blijkt er de laatste jaren weinig toe te doen of de uitgevers zijn ingestapt in tot de verbeelding sprekende databanken of professionele uitgeef-activiteiten (Elsevier en Wolters Kluwer), de kranten en publieksbladen - afgezien naar uitstapjes in de televisiewereld - goeddeels trouw zijn gebleven (De Telegraaf en Wegener), of een gemengde strategie hebben gevolgd (VNU).

Hoe de toekomst van de uitgevers er op de beurs uitziet is een open vraag, die er van afhangt of ze hun waardegroei kunnen voortzetten, en ondanks alles de lievelingen blijven van de beleggers. Beide eigenschappen hoeven niet gelijk op te gaan. Een van Buffets eerste grote succesvolle aandeleninvesteringen was die in The Washington Post, waar hij in 1973 instapte. De nifty fifty gingen rond die tijd ten onder in het inflatoire geweld van de jaren zeventig.