Polemist

GERRIT PAAPE: Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap

160 blz., geïll., Verloren 1996, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Peter Altena, ƒ 29,90

De jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw waren een periode van economische en politieke crisis. Volgens de meeste tijdgenoten hield dat direct verband met de morele verloedering van het 'Godtergend Nederland'. In het dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt in Den Haag, waar Gerrit Paape (1752-1803) in 1775 als 'aankweekeling' werd opgenomen, beoefende hij aanvankelijk een godsdienstig geïnspireerde stichtelijke dichtkunst die dit zedelijk en moreel verval aan de kaak stelde. In de jaren tachtig politiseerde Paapes maatschappijvisie en werd hij radicaal patriot. In kranten en pamfletten waarin hij opriep tot de revolutionaire redding van het vaderland slingerde hij de stadhouder en de Oranje-aanhang de ene belediging na de andere naar het hoofd.

Toen de Pruisen in 1787 de Oranjes te hulp kwamen en het land binnenvielen, moest Gerrit Paape dan ook maken dat hij wegkwam.

Onlangs verscheen van de hand van Paape, in de inmiddels dertien delen tellende reeks 'Ego-documenten' van uitgeverij Verloren, Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap uit 1792. In zijn jaren als balling in Antwerpen, Brussel en Duinkerken, wist Paape het hoofd boven water te houden door onafgebroken te schrijven en te vertalen in zijn 'boekenfabriek'. Zijn Vrolijke wijsgeerte is een verkapte autobiografie. Om niet verwaand te lijken, een verdenking die alle autobiografen op voorhand treft, heeft het document de vorm gekregen van brieven aan ene vriend Jan en een titel die suggereert dat het een filosofische verhandeling betreft.

In de brieven doet Paape de 'vrolijke wijsgeerte' uit de doeken, dankzij welke hij zijn ontberingen als balling gelaten en opgewekt heeft doorstaan. Paapes levensfilosofie is een brouwsel van elementen uit de Verlichting en de stoa (hoe hij onder alle omstandigheden heeft geleerd bedaard en opgewekt te blijven).

Volgens Peter Altena, die de inleiding schreef, is vooral het stoïcijnse gedachtengoed bij uitstek een 'crisisfilosofie', een overlevingsstrategie in een leven vol miskenning, gekwetste trots en teleurstellingen. Paape was afkomstig uit een eenvoudig milieu en heeft zijn hele leven hard moeten werken om zich daaraan te ontworstelen, wat nooit die erkenning heeft opgeleverd waarop hij hoopte.

Aan het eind van de achttiende eeuw krijgen sommige ego-documenten een moderner, introspectief karakter. Opmerkelijk is dat Paapes autobiografie in sommige opzichten meer gemeen heeft met de oudere dagboeken die vol alledaagse prozaïsche details staan, dan met de sentimentalistische pennenvruchten van sommige van zijn tijdgenoten. Hoewel slechts een jaartje ouder dan Rheinvis Feith, wiens Julia toch een en al zelfanalyse is, een zoektocht naar ware liefde en deugdzaamheid op vloedgolven van smartelijke tranen, beschrijft Paape zijn wederwaardigheden in rondbuikige, weinig diepgravende anekdotes.

Het doel van Paapes autobiografie was bepaald geen kritisch zelfonderzoek, maar diende de openbare verdediging van zijn naam en eer. Zijn levensbeschrijving is de presentatie van de publieke figuur Paape. Of, zoals Altena schrijft: “De openhartigheid van de autobiograaf moge treffend zijn, nergens is zij zonder effectbejag. Het zelfportret van Paape kenmerkt zich door een doortrapte argeloosheid.”

De retorische formules en literaire conventies die daaraan te pas komen zijn door Altena intelligent, stijlvol en vermakelijk ontmaskerd. Waar bij dergelijke bronnenpublikaties de eigenlijke tekst vaak wordt voorafgegaan door een obligate inleiding, is het hier eerder andersom. Altena plaatst Paape en zijn werk inzichtelijk in de historische context en portretteert hem met al zijn zwakheden en tekortkomingen als belangrijk getuige van zijn tijd.

Ook houdt Altena een overtuigend pleidooi voor de politieke Nederlandse lectuur uit de tijd van de Verlichting. Niet wegens zijn pathetische martelaarschap, zoals hij dat zelf ziet, verdient Paape postuum eerherstel, maar om zijn kwaliteiten als venijnig polemist. Gevoed door de eeuwige hang naar erkenning van de parvenu, zijn ongebreidelde ijdelheid, de poel van haat en rancune in zijn hart, kon Gerrit Paape schelden als geen ander. Daarom moeten ook de politieke werken van Paape in de toekomst een herkansing krijgen.