Ontberingen zonder sigaret als beloning

Met kapmes en kompas. Vier eeuwen Nederlandse ontdekkingen en reisverslagen. Tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. T/m 25 oktober. Catalogus ƒ 20,-.

Mannen op expeditie: wilskrachtige kaken, een zongetaande huid, bezweette kaki-shirts met veel zakken, waarin die welverdiende sigaret. Dat beeld krijgt men niet voorgeschoteld op de tentoonstelling Met kapmes en kompas, Vier eeuwen Nederlandse ontdekkingen en reisverslagen in de Koninklijke Bibliotheek. Integendeel. De wereld van de Camel Trophy, Parijs-Dakar-race is hier ver te zoeken.

Het eerste deel van de tentoonstelling geeft een indruk van de tochten der Nederlanders naar Azië: de mislukte expedities om de noord en om de west en de geslaagde reizen om Kaap de Goede Hoop. Ook de verkenningen van het 'Onbekende Zuidland' zijn hier te volgen. Voortvarende Nederlandse uitgevers en een gretig publiek stonden te popelen om de berichten van de teruggekeerde reizigers te drukken en te lezen. Aan het eind van de zeventiende eeuw hadden de Nederlanders zoveel van de aarde bereisd en in kaart gebracht dat de wens tot nog meer, door commerciële prikkels ingegeven expedities afnam: de wereld was behoorlijk onder controle, zowel in de harde werkelijkheid van de wereldzeeën als op het zorgvuldig bedrukte papier. Nederland voorzag de wereld van kaarten, atlassen, reisboeken en globes, in alle talen, afmetingen en voor elke beurs.

De achttiende eeuw, het tweede deel van de tentoonstelling, deed het rustiger aan. Een tijd van consolidatie waarin nog veel gereisd en uitgegeven werd, maar het waren vooral gebaande paden en heruitgaven. Aan één curieuze uitzondering besteedt het tweede deel van de tentoonstelling aandacht: Arent Roggeveen. Zijn vader, de Middelburgse wiskundeleraar Jacob Roggeveen, had zich beziggehouden met het probleem van dat onbekende Zuidland en in 1721 stak Arent met twee schepen, gefinancierd door de Westindische Compagnie, in zee. Het werd een reis vol tegenslag. Roggeveen voer onder Zuid Amerika door, bereikte de Stille Oceaan, ontdekte en passant de Samoa-eilanden en Paaseiland met die waanzinnige beelden en bereikte na veel moeite Batavia. Daar werden zijn schepen in beslag genomen door de VOC.

Pas in de negentiende eeuw - en daar begint het derde deel van de tentoonstelling - begint de Nederlandse expeditielust te herleven. Enkele Nederlanders hebben zelfstandig omvangrijke en gevaarlijke tochten ondernomen. Freule Alexandrine Tinne ondernam tussen 1862 en 1864 met haar moeder en een tante een reis naar de bronnen van de Witte Nijl. Een paar jaar later bereidde ze zich voor om via de Sahara het Tjaadmeer te bereiken en vandaar naar de Nijl te trekken. Maar in 1869 werd ze onderweg door een bediende vermoord.

Een andere avontuurlijke Nederlander, Juan Maria Schuver, trok met zijn vader via Turkije en het Midden-Oosten naar Kairo. Het gezelschap volgde dezelfde route als Freule Tinne tot Khartoum, maar vandaar volgde men de Blauwe Nijl. Ook hij werd vermoord: in 1883 door leden van de Dinka-stam.

De stimulans achter andere reizen was van institutionele aard. In 1873 werd het Aardrijkskundig Genootschap, later het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundige Genootschap (KNAG), opgericht. Gaandeweg concentreerden Nederlanders zich op de eigen koloniën, Suriname en Nederlands Indië.

Sumatra, Borneo, Celebes werden verkend, doorgaans onder auspiciën van het KNAG.

Op de tentoonstelling is goed te zien hoe de neerslag van dergelijke reizen veranderde. De reisverhalen van de zeventiende, achttiende en begin negentiende eeuw werden geïllustreerd door gravures die in Nederland waren gemaakt. In het beste geval baseerde de graveur zich op ter plekke gemaakte schetsen, maar in de meeste gevallen was het toch fantasie en verfraaiden - verchineesden, verjapanden of verpersten - de illustratoren het voorgestelde aanzienlijk.

De toepassing van kleurenlitho's maakte de boeken al veel aantrekkelijker. De reisberichten kregen een ander karakter: de reizigers en hun rapporten verwetenschappelijkten. Cartografisch, etnografisch, geologisch, botanisch en zoölogisch onderzoek werd systematischer aangepakt en in degelijke rapporten verwerkt.

De tweede vernieuwing was de fotografie en later de film. Voor het eerst zien we de onderzoeker zoals hij werkelijk was. Safaripakken bestonden nog niet. Men ziet bebaarde en besnorde mannen in tamelijk krappe pakjes in rijgschoenen. Een hoed of een gewone pet uit de Winkel van Sinkel dekte het hoofd. De bivakken zien er rommelig uit, de dragers staan bedeesd ter zijde. Het is hetzelfde als wanneer men foto's van het werkelijke Wilde Westen ziet. Gary Grant en Clint Eastwood zijn in geen velden of wegen te bekennen.

In plaats daarvan scharminkelige mannetjes met holle ogen, slecht uitgelicht voor scheefgezakte blokhutten of in een straat vol modder en karren.

De laatste witte plekken op de kaart waar Nederlanders zich op stortten lagen in Nieuw Guinea. Papoea's, de Wisselmeren, het Wilhelminagebergte. Op de tentoonstelling laten twee films het dagelijks leven van expedities in de jaren vijftig en zestig zien. En hoe modern de helikopter en de telefoons ook zijn, ook hier zijn het geen werkelijke avonturiers maar bleke wetenschappers die aan schedelmeting doen, grondmonsters nemen en geprepareerde vogels voor verzending gereed maken. Onder de klanken van vrolijke ballroommuziek ziet de bezoeker hoe de geleerden zich met de papoea's onderhouden en hoe zij, wijzend op een tijdschrift met op de cover prinses Beatrix, hun uitleggen wat Nederland nu eigenlijk is. Een merkwaardig gezicht en bijna al zo ver weg als de expedities van Houtman, De Keizer, Tasman, Roggeveen, Alexandrine Tinne en de vele anderen die hier met hun boeken en kaarten vertegenwoordigd zijn.