Column

Mijntje

Morgen zijn de Spelen voorbij. Jammer. Ik vond het heerlijk. Mijn gezin snurkte de nacht aan flarden en ik slurpte veertien dagen lang de televisie leeg. Alles nam ik 'live' tot me. Ik hou niet van blikvoer.

Tot vijf uur in de ochtend brandde ik mijn ogen stuk op allerhande atleten, die hun halve jeugd opzij hebben gezet voor een medaille. Sommigen liepen tien seconden en mochten daarna naar huis. Tien jaar trainen voor tien seconden sprint en dan verliezen.

Winnen was trouwens erger. Tenminste als je Nederlander was. Dan werd je eerst gewurgd door Willem Alexander en daarna gulzig en vochtig omhelsd door onze staatssecretaris, de moeder van Theo van Gogh.

Maar de Spelen zijn voorbij en ik moet proberen mijn ritme terug te vinden. Gewoon weer slapen. Niet meer genieten van de Belgische kleiduivenschieter die in het atletiekstadion de discus van de Rus Boeljajev uit de lucht knalde, of van de huppelgymnaste die heel raar deed met een lint en daar punten voor kreeg, laat staan van het kunstzwemmen. Vooral het onderdeel 'synchroon zwemmen' vond ik heerlijk. Twee losse benen, elk in een hoek van een zwembad. Dat is poëzie.

Ook voor mijn ziedende hart is het goed dat de Spelen bijna afgelopen zijn. Ik ben namelijk stapelverliefd geworden op Mijntje Donners. Als zij aan de bal was begon ik te blozen, raakte zij geblesseerd dan werd ik misselijk en als zij scoorde sloeg ik zachtjes aan het dichten. Ik heb al een aardig bundeltje. Mooie troetelnaam voor je geliefde: Mijntje.

Maar het is allemaal te laat. Ik ben te oud, te grijs en daarbij ook nog veel te gelukkig getrouwd. Dus Mijntje hoeft niet bang te zijn dat ik als een bronstige wolf onder het raam van haar studentenkamer ga liggen huilen. Daar heb ik niet eens tijd voor. We vieren vandaag met het hele gezin de verjaardag van mijn dochter. Het is een dag vol cadeautjes, taart, opa & oma, vriendjes en vriendinnetjes, limonade, ijsjes en superlaat naar bed. Hoe laat? Zo laat mogelijk. Ze hoeft, net als op de dagen dat ze niet jarig is, nog nergens aan te denken. Ze is acht, heeft een konijn en duizend liedjes in haar hoofd. En zo hoort het ook.

Eén ding hoop ik: dat ze nooit op turnen wil. Wat vond ik dat erg! Het turnen van die kleine meisjes. Die sport moet met spoed verboden worden. Amnesty moet er wat aan doen. Wat een gluipsport. Die kinderen worden vanaf hun geboorte misbruikt door geflipte ouders, gefrustreerde trainers en andere beulen. Ze hangen in de couveuse al in de ringen. Bij al die andere sporten zijn de atleten volwassenen en die moeten zelf weten wat ze doen, maar bij die turn-onderdeurtjes is het geen kwestie van vrije wil. Dwang is het, kindermishandeling en de ouders moeten met spoed uit de ouderlijke macht gezet worden. Ze stoppen hun kinderen in enge turn-internaten, geven anti-groeipillen, zorgen ervoor dat ze niet gaan menstrueren, enzovoort. En wij zijn de ramptoeristen die ernaar kijken en we luisteren probleemloos naar het natte speekselcommentaar van de kwijlende NOS-reporter. Tijdens het kijken naar die meisjes moest ik vaak denken aan mijn dochter, die boven lag te dromen en mij diezelfde dag nog had opgevrolijkt met de wijsheid: “Papa, poedels kunnen er toch niks aan doen dat ze altijd bij tuttige mensen moeten wonen?” Later vroeg ze: “Papa, is God ouder dan de Dikke en de Dunne?” Zoiets stop je toch niet in een turn-internaat!

De Spelen zijn bijna voorbij. Ik zag veel winnaars, goud en wapperende vlaggen, maar moest toch heel vaak denken aan het kleine turnmeisje dat dertigste is geworden en van wie we nooit, maar dan ook nooit meer iets zullen horen. Wat ik had gedaan als ik haar was? Een stevige spijkerbom in een prullenbak op een heel druk punt! P.S. Mijntje: wat jammer van die aanstellerige pleister op je neus!