MICHEL DEBRÉ 1912-1996; Gaullist pur sang

PARIJS, 3 AUG. In 1960, toen Frankrijk zijn eerste kernproef had gedaan in de woestijn van Algerije, haalde premier Michel Debré midden in de nacht zijn vier zoons uit hun bed in de ambtswoning Hôtel Matignon. Toen sprak hij de gedenkwaardige woorden: “Nu is Frankrijk een grote mogendheid geworden.”

Michel Debré, die gisteren op 84-jarige leeftijd overleed, heeft vooral zijn tweelingzoons geleerd wie generaal De Gaulle was en wat diens vermaarde 'Une certaine idée de la France' was. Jean-Louis en Bernard Debré zijn opgegroeid met de hernieuwde grootheid van het land. Zij zeiden 'Tante Yvonne' tegen mevrouw De Gaulle. Jean-Louis is nu trouw waterdrager van Jacques Chirac en minister van Binnenlandse Zaken, terwijl zijn tweelingbroer, hoogleraar urologie, minister van Ontwikkelingssamenwerking en Gezondheidszorg was onder premier Balladur.

De broers zijn gaullisten van een verschillend timbre. Zij kunnen elkaar, naar verluidt, niet goed verdragen.

Het is typerend voor de brede gaullistische kerk waar Michel Debré jarenlang de hogepriester in is geweest. Zijn gaullisme was sterk nationaal gezind en gericht op wederopbouw van Frankrijk als grote natie. Daarbij paste niet de door persoonlijke ambities gevoede scherpslijperij die nu chiracqijnen, balladurianen en andere mangebonden stromingen verdeeld houdt.

Als verzetsman van naam droeg Michel Debré al in 1943 verantwoordelijkheid in het Nationaal Bevrijdingscomité. Bij de bevrijding werd hij commissaris van de regio Angers, ontmoette generaal De Gaulle en werd voor het leven een van zijn grootste aanhangers en pleitbezorgers.

Het was, na alle turbulente politieke ontwikkelingen die vooraf gingen aan De Gaulles greep naar de macht in 1958, een natuurlijke keus Debré als eerste premier aan te stellen. Debré schreef de eerste grondwet van de door De Gaulle gestichte Vijfde Republiek; hij stond model voor de rol van de eerste minister zoals De Gaulle die in zijn regerings-systeem voor zich zag: de eerste uitvoerder van de door de volkswil aangewezen president, tevens de man die de schuld op zich neemt wanneer het voor zeven jaar gekozen staatshoofd de volksgunst tijdelijk heeft verspeeld. Premiers sinds Debré hebben ervaren wat dat betekent.

Zelf mocht hij vier jaar dienen als eerste minister, om na vier jaar 'gewoon' Kamerlidmaatschap (voor het Indische Oceaan-eiland Réunion, dat hij tot op zijn 76ste bleef vertegenwoordigen) in van 1966 tot 1968 drie jaar minister van Financiën en Economie te worden. Daarna was hij kort minister van Buitenlandse zaken en van 1969 tot 1973 minister van Defensie.

Debré was volgens de Franse bestuurstraditie tegelijkertijd burgemeester: van 1966 tot 1989 in het mooie Loire-stadje Amboise. Sinds zoon Bernard in 1986 als district voor zijn parlementaire ambities Indre-et-Loire koos, waar Amboise in valt, werd de familie Debré definitief een zekere Kennedy-neiging toegeschreven.

Michel Debré, die lang lid was van de Académie Française en veel politieke boeken schreef, was een fervent pamflettist. In het jaar vóór De Gaulle het land in 1958 redde, publiceerde hij Courrier de la Colère, een tijdschrift dat te hoop liep tegen de politieke verwildering van die dagen.

In 1981 deed Debré een zeer vergeefse gooi naar het hoogste ambt: hij kreeg in de eerste ronde 1,66 procent van de stemmen; het was tijd voor de socialist François Mitterrand.

Debré's naam dook de laatste jaren het meest op in verband met een naar hem genoemde wet, die de verhoudingen tussen het openbaar en het (christelijk) privé-onderwijs voorgoed trachtte te regelen. Ook op dat gebied is de nieuwe orde niet even ordelijk als Michel Debré, met generaal De Gaulle, wenste.