Ketting

Drie weken Olympics, er is in Atlanta meer geknield dan gedanst. Aan een ketting van gebeden heb ik gelegen, dag na dag. De Spelen waren een en al christendom. God is inderdaad van goud. Michael Johnson, Gail Devers, Carl Lewis, Gebreselassie of Pérec: de Heer spurtte, sprong, bokste, worstelde en kotste met de atleten mee.

Zou de Heer zich ook verschanst hebben in een bommetje anabole steroïden? Carl Lewis begint er steeds meer als Ben Johnson uit te zien. En die krijgsdans van duizenden fluorescerende wormen in het gezicht van Donovan Bailey, toen hij als snelste man ter wereld over de meet suisde, was toch ook van een verdachte wreedheid van geluk.

Natuurlijk is er niets tegen mensen die geloviger dan hun wanhoop zijn. Maar ik word zo moe van al die atleten die hun medaille aan God opdragen. Dat semantische verraad aan hun vrouwen, kinderen, maîtresses, trainer, dokter en apotheek, Jesus Christus! Atlanta als een piramide van gewijd snot, het had zo weinig met sport te maken. En hoezo God? Als God had bestaan dan had niet alleen Pascal Richard, maar ook Fabio Casartelli nog voor goud gereden.

Bij de heropening van het door een bommetje getroffen Centennial Olympic Parc werd natuurlijk weer massaal geknield en gebeden. Zoveel melaatste gezangen over de triomf van de human spirit, wat zijn hardhorigen soms gelukkige mensen. Opnieuw stonden de lokale bobo's te hijgen in hun leugens van vrede en broederlijkheid. Zestigduizend kinderen waren ingehuurd om te laten zien dat de Amerikaanse ziel, dwars door spijkerbommen en ander zeer, op wielen blijft rijden. Hummeltjes van tien tot twaalf, kokhalzend van vreugde en ontroering, voor de camera's van NBC en CNN laten zeggen dat de heropening van het pretpark een voorbeeld van de human spirit was, is nog armoediger dan sex voor zwakbegaafden. Uren later stonden hun moeders nog krom van het zout van hun tranen, verguld als ze waren door dat ingestudeerde kindergeluk. Een dag later kwam Hillary Clinton daar nog eens met snik in de strot over heen. Amerikanen overleven niet van schots naar schots, ze overleven van gebed naar gebed, met of zonder ontbonden liefdes. Comateuze epigonen van een hogere macht, Georgia on my mind.

Comateus van glorie is ook André Bolhuis. Alles aan de de chef de mission van de Nederlandse olympiërs is gestolde kitsch. Zijn drukte, zijn woede, zijn liefde voor de sport, zijn zogenaamd mededogen. En vooral: zijn dagelijkse column in De Telegraaf. Bolhuis is ook zo'n biddende middenstander, niet eens begaafd met een gruwelijke ernst. Zoals een plechtige communicant genaaid zit in het eerste witte jurkje zit hij genaaid in kalendergrappen. In die drie weken Atlanta is er geen moment iets ontstaan als zichzelf. Een chef de mission die kaartjes voor wedstrijden verkoopt, handtelefoons aanprijst, een fotojournalist van De Telegraaf het olympisch dorp binnensmokkelt met een soort bobo- of coachpasje, met dat soort klein gerommel houdt de human spirit van Bolhuis op. Naar het schijnt is Atlanta zijn laatste Spelen. Hij zal weggaan zonder legende en testament. Ik vrees voor zijn oude dag: wie wil er nou met dit orakel als een natte dweil ooit nog patience spelen tot het ochtendgloren? De chef de mission, eigenlijk een hoveling van vezel en snit, heeft drie weken niets anders gedaan dan geklaagd over de rotzooi in Atlanta. Dan nog in lompe razernij. Leeglopen uit de wonden van anderen, daar is Bolhuis een meester in. Zelf heeft hij nog nooit op een kier gewacht tot waarheid en schoonheid hèm konden bereiken. Dat deze kampioen van het binnenwaarste gesnuffel door het NOC*NCF is uitgezwaaid als een olympische held zegt veel over de mensenkennis van dit wereldje. Er bestaat geen medicijn tegen bobo-blindheid.

Nederland heeft niet te klagen over de medaille-oogst in Atlanta. De atleten zijn zelfs lichtjes over de maat van dit kleine land gesprongen. Zij deden het tenminste nog met een zuivere dialectiek tussen droom en daad. De oranje Ku Kux Klan, die zich avond na avond ophield in het Holland Heineken House, meestal in het kielzog van de onvermijdelijke Erica Terpstra, had de dialectische zuiverheid van een parasiet. Ik weet het nu zeker: Thialf is de hoofdstad van ons geliefde koninkrijk.