Johanna Hudi

Johanna Hudig, die deze week op negenentachtigjarige leeftijd overleed, werd in 1947 als eerste vrouw in Nederland benoemd tot rechter. Zij was meer dan vijfentwintig jaar kinderrechter in Rotterdam, waar ze in de voetsporen trad van de door haar bewonderde rechter Overwater, die ook buiten de rechtzaal een grote rol had gespeeld bij de ontwikkeling van de justitiële kinderbescherming.

Hudig combineerde van 1956 tot 1972 haar werk als rechter met een buitengewoon hoogleraarschap kinderrecht en kinderbescherming aan de Universiteit van Utrecht, de eerste leerstoel op dit gebied in het land.Professor Hudig was de laatste overgeblevene van de zogeheten Utrechtse School in de Strafrechtswetenschappen die voor de oorlog ontstond rond de hoogleraar strafrecht Willem Pompe. Deze legde speciale nadruk op de persoon van de dader. In wetenschappelijk opzicht stond deze school een interdisciplinaire aanpak van de strafrechtelijke problemen voor.

Juristen als Pompe en Hudig en de latere polemoloog Röling zochten welbewust contact met gedragsdeskundigen, zoals de criminoloog Kempe en de forensische psychiater Baan. Ook hechtte de Utrechtse School veel belang aan de verbinding van wetenschap en praktijk, met name de voorlichting en hulpverlening door de reclassering en de psychiatrische observatie van verdachten.

De Utrechtse stroming had haar oorsprong in het Criminologisch Instituut (thans: Het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen). Hudig was daaraan vanaf de oprichting in 1934 vier jaar verbonden. Daarna werkte zij bij de kinderpolitie in Rotterdam. In 1939 promoveerde zij op de studie 'De criminaliteit van de vrouw'.

Als hoogleraar/kinderrechter maakte Hudig grote veranderingen mee, zoals de norm- en gezagscrisis van de jaren zestig en toenemende kritiek op de traditionele machtspositie van de jeugdrechter binnen de justitiële kinderbescherming. Zij had zeker oog voor het belang van een goede rechtsbijstand in jeugdzaken als tegenwicht voor het officiële apparaat en zij bepleitte onder meer de instelling van een kinder-ombudsman. Haar credo bleef, zoals zij het uitdrukte in de Kempe-bundel (1976): “Nog belangrijker dan een goede wet, is een goede rechter”.