“I've been through hell.”

Achter het stuur van de bus die tussen het hotel en het centrum van Atlanta pendelt, zit een morsige vrouw van een jaar of 46. Ze klaagt over de organisatie. Tegen de afspraken in verstrekt die geen maaltijden en ook zijn nauwelijks telefoons beschikbaar waarmee ze naar huis kan bellen. Ze werkt van negen uur 's ochtends tot twee uur in de nacht. Soms tot vier uur.

Sheila komt uit Charleston, South Carolina. Ze kwam een paar dagen later dan gepland in Atlanta aan, omdat ze haar trailer moest verstevigen wegens een dreigende orkaan. Sheila is van huis uit elektricien en loodgieter. Maar niemand in het diepe zuiden wil een vrouw over de vloer voor het aanleggen van kabels of het ontstoppen van de gootsteen. In een chemische fabriek kreeg ze bij een lek in een installatie troep naar binnen, waardoor ze naar ander werk moest zoeken. Ze rijdt nu in South Carolina op een schoolbus.

Sheila is in 1979 gescheiden, een jaar nadat ze haar man op niet mis te verstane wijze de deur had gewezen. “Hij worstelde, maar hij haalde net de top niet.” Inmiddels is hij getrouwd met zijn vijfde vrouw. “Hij wilde niet werken. Toen we net getrouwd waren, zei hij één voor één zijn zeven baantjes op. We woonden toen nog in het huis van zijn moeder. Op een gegeven moment deed ik van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat het werk en zaten hij en z'n moeder thuis duur te eten. Hij stal ook het melkgeld dat ik voor de kinderen opzij legde. Daar kocht hij nutteloze dingen van.”

Op een decemberdag in 1978 kwam Sheila laat thuis. Haar negen maanden oude dochter huilde. Uit ergernis over het gejank smeet vader het meisje door de kamer. “Toen heb ik m'n dubbelloops gepakt en tegen z'n ribben gezet.”

Na een busrit van twintig minuten twijfel ik geen seconde aan de woorden van Sheila. Ze is door een hel gegaan.