Internationaal recht gebaat bij succes van het tribunaal

Het VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië kampt met twee problemen. Het verkrijgen van hard bewijsmateriaal is moeilijk, en het tribunaal is in vergaande mate afhankelijk van de medewerking van staten.

Voor deze problemen moeten oplossingen komen, meent Theo van Boven. Niet alleen omdat vrede zonder gerechtigheid geen vrede is, ook omdat het slagen van het Joegoslavië-tribunaal van beslissende invloed is op een eventueel te vestigen internationaal strafhof.

Telkens staat het Joegoslavië-tribunaal in het centrum van de belangstelling. Terwijl tot voor kort hoofdaanklager Richard Goldstone de meest in het oog lopende persoonlijkheid van het tribunaal was, komen thans de rechters met hun opvallende toga's steeds meer in beeld. Deze gedaanteverandering lijkt niet alleen samen te hangen met de aanstaande terugkeer van Goldstone naar Zuid-Afrika - waar hij rechter van het constitutionele hof zal worden. Zij brengt ook tot uitdrukking dat het tribunaal een nieuwe fase is ingegaan.

Aanvankelijk was het bureau van de aanklager de motor die de procedures op gang moest brengen en waren de rechters wachtende - te lang naar hun smaak. Thans komen de rechters volop aan bod. Ook wordt nu duidelijker dan voorheen dat het tribunaal te kampen heeft met problemen die fundamenteler zijn dan de financiële en logistieke perikelen die van de aanvang af voor moeilijkheden hebben gezorgd. Ik zal twee van dergelijke problemen - die mede bepalend zijn voor de toekomst van het tribunaal - eruit lichten. Het ene probleem is aan het licht getreden bij de nog steeds voortdurende getuigenverhoren in de zaak Tadic en het andere vraagstuk heeft zich toegespitst als gevolg van de onlangs tegen Karadzic en Mladic uitgevaardigde internationale arrestatiebevelen.

In de zaak Tadic gaat het vooral om de bewijsvoering in de rechtszaal, maar bij de internationale arrestatiebevelen tegen Karadzic en Mladic zijn de positie en de geloofwaardigheid van het tribunaal binnen de internationale gemeenschap in het geding.

Eerst enige opmerkingen over de bewijsvoering. Anders dan de Internationale militaire tribunalen van Neurenberg en Tokyo, die de beschikking hadden over uitvoerig authentiek archiefmateriaal van de Duitsers en de Japanners, is het Joegoslavië-tribunaal in hoofdzaak aangewezen op verklaringen van getuigen die vaak minder solide zijn dan schriftelijke bewijsstukken. In de zaak tegen Tadic heeft de verdediging aanvankelijk twijfel willen zaaien over de identiteit van de persoon in de beklaagdenbank en de mogelijkheid geopperd van een persoonsverwisseling. Deze opzet lijkt niet geslaagd te zijn. Kansrijker vanuit het perspectief van de verdediging is het om getuigen aan de tand te voelen over de werkelijke en directe betrokkenheid van de verdachte bij de gepleegde misdrijven. Verschillende getuigen blijken deze test moeilijk te doorstaan; hun waarnemingen hebben deze onmiddellijke betrokkenheid niet onomstotelijk kunnen staven.

Het proces loopt al vele weken, zelfs maanden en het einde is nog niet in zicht. Veel kan nog gebeuren maar het is wel duidelijk geworden dat de zaak Tadic, ondanks grondige voorbereiding, illustratief is voor de moeilijke bewijsvoering van ten laste gelegde zware misdrijven, begaan in vaak verwarrende en naar tijd en plaats ver afgelegen situaties. Mij dunkt dat de vaststelling van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een commandovoerend generaal als Mladic de rechters minder hoofdbrekens zou bezorgen dan wanneer zij met een 'kleine' verdachte worden geconfronteerd. Het uiteindelijke oordeel ligt in handen van ervaren rechters die zonder twijfel de nodige zorgvuldigheid zullen betrachten.

Het andere probleem is meer politiek dan technisch. In een rede voor de Algemene Vergadering der Verenigde Naties heeft de president van het tribunaal, de Italiaan Antonio Cassese, het tribunaal treffend gekenschetst als een reus zonder armen en benen die, om zich voort te kunnen bewegen, kunstledematen behoeft. Cassese bedoelde hiermee aan te duiden dat het tribunaal niet over een eigen politioneel en justitieel apparaat beschikt en daarmee voor zaken als arrestatie en overdracht van aangeklaagde personen aangewezen is op de verplichte medewerking van staten of van entiteiten die zich als staten willen manifesteren, zoals de Bosnisch-Servische Republiek (de zogenoemde Republika Srpska).

Bij herhaling heeft president Cassese volgens de termen van het Statuut van het tribunaal de Veiligheidsraad op de hoogte gesteld van de onwil van de Federale Republiek Joegoslavië (Servië-Montenegro) en van de Republika Srpska om gevolg te geven aan door het tribunaal uitgevaardigde arrestatiebevelen. Tot nog toe zonder tastbaar resultaat. De politieke prioriteiten van de Veiligheidsraad en van andere internationale actoren liggen kennelijk elders. In het besef dat het tribunaal alleen effectief kan functioneren met de politieke steun van de internationale statengemeenschap is Cassese een politieke kruistocht gaan voeren. Die heeft hem er zelfs toe gebracht om medio juni te Florence, op een belangrijke internationale evaluatieconferentie over de uitvoering van het Dayton-akkoord, te pleiten voor selectieve economische sancties of een sportboycot tegen de onwilligen. Hoewel vragen zijn gesteld of een zodanig optreden tot de taak van een hoge magistraat behoort, kan ik dit optreden wel billijken bij ontstentenis van een duidelijke stellingname van de politiek verantwoordelijken, zoals de Veiligheidsraad.

De internationale arrestatiebevelen tegen Karadzic en Mladic, uitgevaardigd op 11 juli en toegezonden aan alle staten, aan de troepenmacht IFOR en aan Interpol, hebben de zaak op scherp gezet. Zolang verstekprocedures uitgesloten worden geacht - overigens verbiedt het statuut van het tribunaal deze niet expliciet - zijn de hoorzittingen krachtens artikel 61 van het procedure-reglement en de uitvaardiging van internationale arrestatiebevelen het ultieme middel dat het tribunaal zelfstandig kan hanteren. Nu komt het erop aan of het tribunaal de steun en de medewerking verkijgt van met name de Europese Unie en de Verenigde Staten.

Emotioneel, maar volkomen terecht, verklaarde Cassese de dag na de uitvaardiging van de internationale arrestatiebevelen: “Als aangeklaagden de kans houden om de rechtsgang te blokkeren, is dat een signaal aan alle dictators en alle staten die het niet zo nauw nemen met mensenrechten, om te doden en te martelen” (NRC HANDELSBLAD, 13 juli 1996).

Voorlopig blijven Karadzic en Mladic en ongeveer zestig anderen door het tribunaal aangeklaagden vrij rondlopen. Dit geldt trouwens ook voor andere politieke en militaire leiders in voormalig Joegoslavië, die (nog) niet zijn aangeklaagd maar tegen wie ernstige verdenkingen bestaan. De Amerikaanse gezant Holbrooke, die eind vorig jaar het Dayton-akkoord wist te bewerkstelligen, slaagde er onlangs in de voortgang van Dayton te redden door te bereiken dat Karadzic naar buiten toe zijn politieke en publieke functies opgaf. Maar dit betekent niet dat stappen zijn gezet op de weg van berechting van Karadzic en Mladic in Den Haag. De politieke leiding van IFOR wenst geen risico's te nemen en het vredesproces van Dayton niet in gevaar te brengen. De Veiligheidsraad heeft andere zorgen. President Cassese blijft een roepende in de woestijn. De gedachte komt zelfs op van kidnapping à la Eichmann - volgens het overigens omstreden beginsel van male captus, bene detentus (niet volgens de regels gepakt maar wel volgens de regels gedetineerd).

Waarden en beginselen van langere adem zijn in het geding. Het is al vaak gezegd en kan niet genoeg herhaald worden: vrede zonder gerechtigheid is geen duurzame vrede. Het Joegoslavië-tribunaal tracht deze gerechtigheid te dienen en het onaanvaardbare patroon van straffeloosheid (Pol Pot, Idi Amin, Saddam Hussein etcetera) te doorbreken - ondanks zijn tekortkomingen. De geloofwaardigheid van internationale instituten, in het bijzonder van internationale rechterlijke organen, staat op het spel. En tenslotte, het slagen of falen van het Joegoslavië-tribunaal kan een beslissende invloed hebben op verwezenlijking van het voorstel om een permanent internationaal strafhof in het leven te roepen.

    • Theo van Boven
    • Voormalig Griffier van het Joegoslavië-Tribunaal