IJZERVRETER IN DIENST VAN ORANJE

De chef de mission is trots. De Nederlandse afvaardiging heeft in Atlanta bij de Olympische Spelen al meer medailles gewonnen dan vier jaar geleden in Barcelona. De kans bestaat dat het uit 1928 daterende record van negentien plakken wordt gebroken. “In de toekomst moeten we zelfs tot dertig medailles kunnen komen”, zegt oud-hockeyer André Bolhuis (49), die zelf afscheid neemt.

Zijn grootste bijdrage aan de Nederlandse successen op de Spelen leverde André Bolhuis vorige week in de nacht van vrijdag op zaterdag. Dat was in de drie uur na de bomontploffing in het olympisch park. “Het Nederlands Olympisch Comité wilde dat we die nacht een bulletin aan al onze sporters uitdeelden”, vertelt Bolhuis. “Maar als dat was gebeurd, dan was het afgelopen met ons.”

Het had, weet de voormalige hockeyer uit eigen ervaring, voor onrust binnen de ploeg gezorgd. “Ik heb zelf als sporter de aanslag in 1972 in München meegemaakt. En in 1956 in Melbourne was Nederland één van de slechts drie landen die de Spelen boycotte. Laten we nu niet weer vooroplopen, dacht ik. Want dan zijn we straks gefrusteerd. Daarom moesten we vooral de rust handhaven. Rust, rust, verder niets, nada. Daarom heb ik die papieren niet onder de deuren geschoven. Dat was best een dramatisch moment, want er waren wel 100 gewonden en twee doden.”

Bolhuis besloot af te wachten. “Het ging om een Amerikaans probleem en wij moesten doorgaan. Als het uit de hand was gelopen, dan hadden we alsnog kunnen reageren. Maar dat hoefde niet. Een halve dag later was alles al weer weggeëbd. Ik heb 's nachts ook niet alle chefs d'équipe bij elkaar geroepen. Want dan zou het hele gebouw wakker zijn geworden. Dus heb ik die vergadering gewoon 's ochtends gehouden.”

In 1972 ging hockeyer Paul Litjens na de moord op de elf Israelische sporters wel naar huis, zijn ploeggenoot André Bolhuis niet. “Ik was basisspeler, Paul niet. Zo gaat dat toch? Als we iedereen 's nachts uit zijn nest hadden gehaald, zouden sporters die niets hadden gepresteerd, hebben gereageerd. Die hadden geroepen dat we naar huis moesten. En dan hadden ze misschien anderen meegesleept. Natuurlijk had iemand uit principe er mee kunnen ophouden. Maar dat had hij dan toch ook midden op de dag kunnen meedelen?”

“Ja, ik heb in die nacht medailles voor ons gewonnen”, stelt Bolhuis zonder schroom vast. “We hadden uitgerekend dat weekeinde een klapper, zes plakken!” Daar is hij, bekent hij, best trots op. “Als ik dinsdag thuiskom en mijn vrouw vraagt hoe het is geweest, dan vertel ik dit verhaal.”

De chef de mission bleef in Atlanta op de achtergrond bij Nederlandse successen. Dit in tegenstelling tot olympische bestuurders en andere prominenten. Zij zijn er bij de Spelen als de kippen bij als er iets te vieren valt. Bolhuis: “Als mensen vooraan willen staan, mogen ze dat van mij. Het ponton bij het roeien zonk afgelopen zondag bijna. Ik ben op andere momenten nodig. Ik zoek Angelique Seriese op als ik haar in de eetzaal helemaal kapot in een hoekje zie zitten. Bij een overwinning hebben we honderd generaals, bij een nederlaag zijn er alleen maar soldaten.”

Bolhuis ergert zich niet meer aan de overdreven juichtaferelen. “Dat heb ik afgeleerd”, zegt hij. “Ik wil er ook niet over praten.” Later komt hij daar toch nog op terug. “Besturen van afstand betekent ook meedoen van afstand. Maar besturen van afstand en meedoen van dichtbij is fout. Dat is een hele slechte zaak.”

Hij vertrekt niet voor niets als chef de mission. Bolhuis zegt minder prettig te werken dan voor de vorige Olympische Spelen in Barcelona. “Toen zat ik zelf nog in het NOC-bestuur en kon ik alles bespreken. Na de fusie tussen NOC en NSF is dat veranderd. Nu zitten er nog tweehonderd anderen in het gebouw. De Olympische Spelen worden pas zes weken voor de start belangrijk. Maar dan wil ook meteen iedereen meedoen.”

Dat stoorde hem. “Ik vind het moeilijk om met heel veel mensen te moeten werken. Dat zorgt voor verwarring. Ik ben een Draufgänger. De Olympische Spelen zijn mijn doel, verder niets. Alleen dan kan ik me associëren met sporters die hetzelfde hebben. Ik miste de echte vrijheid. Daarom heb ik de afgelopen twee jaar vaak het gevoel gehad van: ik moet dit niet meer doen.”

Hij neemt mogelijk afscheid met een recordaantal prijzen. “Ik wist zeker dat we veel medailles zouden winnen”, zegt Bolhuis. “Ik had vooraf 28 potentiële kandidaten geteld. Er waren eigenlijk maar twee grote missers, judoka Angelique Seriese en de Kouwenhovens bij het zeilen. Dat valt mee.” Hij genoot van alle successen. “Bij de puntenkoers met Ingrid Haringa zat ik met vlinders in mijn buik en gekromde tenen. Wat was dat spannend!”

In 1992 zag hij op hetzelfde nummer Leon van Bon ook zilver behalen. Later bleek dat de Italiaan die olympisch kampioen werd, tijdens de race voor 10.000 gulden de hulp had ingeroepen van de deelnemer uit Nieuw Zeeland. Bolhuis had het acceptabel gevonden als Van Bon hetzelfde bedrag had geboden. “In het wielrennen gebeuren zulke dingen nu eenmaal. Als je eerste wilt worden, moet je daar blijkbaar aan meedoen. Iemand die goud wint, krijgt bij ons 60.000 gulden. Als hij daarvan 20.000 gulden aan een concurrent wil geven, moet hij dat zelf weten.”

Tegenwoordig draait veel in de sport om geld. Bolhuis bood veel sporters de gelegenheid zich voor te bereiden op de Olympische Spelen. “We hebben de oude cultuur doorbroken. We hebben veel geld kunnen investeren en tegelijkertijd gecontroleerd hoe het geld werd besteed. Dat heeft Hans Jorritsma gedaan. Zijn aanstelling was een voltreffer. Het gaat om grote bedragen en grote invloeden. Zoiets geeft uiteraard weerstanden. Mensen vroegen zich af of dat wel allemaal nodig was. Dezelfde mensen zitten nu wel medailles te tellen, begrijp je.”

Een voorbeeld van een ploeg die de volledige ondersteuning van NOC*NSF kreeg, waren de roeiers. “We hebben er 85.000 gulden per maand aan loonderving en kosten in geïnvesteerd. Er zijn huizen in Amsterdam gehuurd en hebben we een coach uit China laten komen. Het resultaat was zeven boten in de finale. Ik zeg eerlijk dat ik op mijn lijstje voor de Olympische Spelen de roeiers op meer dan drie medailles had ingeschat. Maar als je goud, zilver en brons haalt, is dat heel mooi. De Holland Acht heeft magistraal geroeid. Het was één van de hoogtepunten van de Spelen.”

Er waren ook bittere tegenvallers, zoals de softbalsters, waterpoloërs, beachvolleybalsters en sommige atleten. “Er zaten in onze ploeg mensen die hier niet hadden mogen zijn”, stelt Bolhuis keihard vast. “Noem het politieke redenen dat ze mee mochten. Je moet niet in een half-failliete zaak investeren, maar we moesten iedereen een kans geven. Ik kan het niet maken om bepaalde bonden en sporters te negeren. Dat zou niet worden geaccepteerd.”

Hij had moeite met de deelname van sommige sporters. “Het is onzin om te zeggen dat ik alleen tevreden ben met medailles. Ik ben wel voor mensen die in staat zijn een maximale prestatie te leveren op de Olympische Spelen. Daarom ben ik lyrisch over de zwemploeg. En zo'n Elsbeth Vink (vijfde bij het mountainbiken, red.) mag morgen weer bij mij op de stoep staan.”

Hoe reageert de chef de mission op sporters die teleurstelden? “Daar sluit ik mijn ogen voor. Nee, ik zeg niets tegen ze. Doe ik dat wel, dan zou dat alleen maar onnodige aandacht trekken. Het is veel functioneler om niets te zeggen.”

Er was voor de Spelen ook kritiek op het selectiebeleid van NOC*NSF. Bolhuis zou als oud-hockeyer volgens de atleten geen verstand hebben van individuele takken van sport. “Oké, dan begrijp ik het niet”, reageert hij fel. “Maar één ding begrijp ik wel. Als je de limiet niet kan halen, dan kan je het hier ook niet. Dit zijn de Olympische Spelen. Het gaat niet om zo maar een toernooitje. We hebben ons daarom heel bewust aan de limieten gehouden.”

Volgens Bolhuis moet NOC*NSF binnen de bonden nog meer invloed krijgen op olympische kwesties. Het zou de prestaties ten goede komen. “Nederland kan in de toekomst zelfs dertig medailles winnen”, is zijn overtuiging. “Als landen met minder inwoners dat kunnen, dan moet dat bij ons ook lukken. We hebben alles mee, de perfecte infrastructuur, de faciliteiten en de intelligentie. Het enige dat we missen, is de hardheid om aan de finish te komen. Daar is best wat aan te doen. We moeten de juiste coaches aanstellen.”

Morgenavond zijn de Olympische Spelen in Atlanta, die Bolhuis organisatorisch “een complete chaos” noemt, voorbij. Hij keert doodmoe terug naar Nederland, want de meeste nachten sliepen hij en zijn medewerkers niet meer dan twee, drie uur. “We hebben onder bizarre omstandigheden moeten werken. Er was bijna niets geregeld. Daarom heb ik me veelvuldig bezig gehouden met randverschijnselen. Ik heb net nog een bus geregeld voor 150 sporters die een van onze ploegen willen aanmoedigen. Daar vroegen ze 3.000 dollar voor, voor een ritje van een half uur. Over mijn lijk. Nu heb ik gratis een bus. Maar zoiets kost wel tijd.”

Zijn taak zit er bijna op. “Ik heb er zeven jaar lang gigantisch veel energie in gestoken”, blikt Bolhuis terug. “Waarom ik het heb gedaan? Dat weet ik zelf niet. Uit een verborgen ambitie, of zoiets. Het was een onbetaalde job en mijn handel wordt er ook niet beter van. Niemand komt naar mijn tandartsenpraktijk omdat ik chef de mission ben. Maar ik wilde vroeger als hockeyer al winnen en nu ook. Ik wilde het beter doen dan een ander. En de enige manier om dat te tonen, is het totale aantal medailles dat we zondagavond hebben gewonnen.”

Thuis zal André Bolhuis vooral terugdenken aan de avonden in Atlanta waarop hij om kwart voor tien op het Nederlandse terras van het atletendorp op een stoel klom en de nieuwe medaillewinnaars toesprak. Vervolgens werden een paar flessen champagne opengetrokken, waarmee alle aanwezigen werden nat gespoten. In geval van een gouden medaille werd ook nog het Wilhelmus gespeeld op een oude mondharmonica. “Met van die krakende tonen. Het was alsof je aan de Seine zat”, aldus Bolhuis. “Dat waren mijn momenten, zo samen met de sporters.”