Hongerstaking verhardt politieke conflicten in Turkije; Brood met spijkers

De hongerstaking in Turkije is voorbij, maar het politieke klimaat wordt beheerst door geweld en wantrouwen. Zelfs in de gevangenis voelen activisten zich niet veilig. Wrok smeult als een veenbrand onder de samenleving, in het nieuwe redactielokaal van een links tijdschrift zitten de bloedvlekken al op de muur. 'Niemand van ons gaat nog langer naar de stembus.'

De moeder van Yemliha Kaya is nog steeds door verdriet overmand. Vijf dagen eerder, op de laatste dag van de hongerstaking, stierf haar zoon. Hij was een van ruim tweeduizend politieke gevangenen die 69 dagen lang een hongerstaking hield waaraan inmiddels twaalf mensen, in strafinrichtingen verspreid in heel Turkije, zijn bezweken. Hij verbleef in de Bayrampasa-gevangenis op verdenking van lidmaatschap van de links-illegale DHKP-C (het Revolutionaire Volks Bevrijdings Front), opvolger van de in de jaren zestig opgerichte stadsguerrilla-organisatie DEV-SOL, (Revolutionair Links). Yemliha en de anderen eisten betere levensomstandigheden in de huizen van bewaring, een versnelling van de eindeloze processen tegen politieke gevangenen, en de garantie dat ze in een gevangenis dicht bij hun woonplaats worden opgesloten zodat ze toegang hebben tot hun advocaat.

Mevrouw Kaya herkent niet eens de advocaat van haar zoon, Metin Narin, die rode anjers heeft meegebracht. De stemming is bedrukt. In elke kamer van de ruime flat in Yenibosna, een van de vele satellietwijken rondom Istanbul, zitten rouwende familieleden. De vrouwen vertrekken naar de begraafplaats; de mannen blijven achter in de zitkamer en discussiëren. Wanneer zal de Turkse overheid ertoe over gaan geweld te gebruiken tegen de politieke gevangenen? Niemand heeft er vertrouwen in dat de eisen van hongerstakers daadwerkelijk worden ingewilligd. Zelfs de oudere mannen, die tot voor enkele jaren nog hun hoop hadden gevestigd op de Republikeinse Volkspartij (CHP), de sociaal-democratische partij van hervormer Atatürk, hebben inmiddels begrip voor het illegale politieke verzet van hun dochters en zonen. “Niemand van ons gaat nog langer naar de stembus”, zegt Mehmet Akkus, een neef van Yemliha Kaya.

Hun haat tegen de gevestigde politiek in Turkije wordt op twee fronten gevoed. Kaya's familie maakt deel uit van de ruim tienduizend leden tellende Alhas-stam uit Zuidoost-Turkije, die zich zowel op hun Koerdische als op hun alevitische identiteit voorstaat. Vrijwel alle 29 dorpen die tot de Alhas-stam behoren zijn in de afgelopen jaren door het Turkse veiligheidsleger ontruimd omdat de inwoners ervan weigerden met de Turkse staat samen te spannen tegen de separatistische Koerdische Arbeiders Partij (PKK), die sinds 1984 een guerrillastrijd voert in Zuidoost-Turkije. En nog dagelijks bereiken hun berichten over bruut optreden van de militairen tegen de achtergebleven dorpelingen. Inmiddels hebben zich ruim tweehonderd jongeren van de Alhas-stam bij de PKK aangesloten.

Een ander deel van de Alhas-jongeren maakt deel uit van het links-illegale THKP/C. De ouderen daarentegen zoeken hun heil bij de legale pro-Koerdische HADEP-partij, die bij de parlementsverkiezingen in december weliswaar vijftig procent van het electoraat in Zuidoost-Turkije achter zich kreeg, maar die op nationaal niveau de kiesdrempel van tien procent niet haalde. De Turkse autoriteiten schilderen HADEP af als een verlengstuk van de PKK.

Zeker honderd leden van de Alhas-stam verblijven nu op grond van hun politieke activiteiten in de gevangenis. “Hier in Yenibosna wonen tussen de duizend en de 1500 families van de Alhas-stam”, zegt Yemliha's neef Akkus. “Weliwaar zijn veel van die jongeren pas van het platteland naar de stad gekomen, maar vrijwel niemand werkt als arbeider. Op een uitzondering na heeft iedereen een eigen bedrijfje. We behoren dan ook niet tot de laagste klasse. De radicalisering onder de jongeren in Istanbul is dus niet alleen het gevolg van de economische ongelijkheid in dit land.”

“We willen net als in Europa een menselijk leven kunnen leiden”, vult een andere man in de kamer aan. “Maar de staat onderdrukt elke politieke oppositie met geweld. Iedere methode lijkt daarbij geoorloofd. Dat zet kwaad bloed onder de jongeren.”

Kunnen zij begrijpen waarom Yemliha Kaya en zijn politieke kameraden bereid waren zich dood te hongeren voor hun politieke idealen? Er volgt een geladen stilte. “We wisten dat ze vastberaden waren om hun actie niet op te geven zolang de regering niet bereid was om op hun eisen in te gaan”, zegt zijn oudere broer Halil uiteindelijk. “Drie dagen voor zijn dood heb ik Yemliha in zijn cellenblok bezocht, omdat hij te zwak was om nog uit zijn bed op te staan. Hij drukte me toen op het hart om niet om zijn dood te treuren. Yemliha wist dat slechts door te volharden in zijn politieke strijd, door zich tot het einde te verzetten tegen de pogingen van de Turkse staat om zijn identiteit te breken, hij zichzelf kon blijven.”

Blinde advocaat

In de veertien jaar dat de blinde advocaat Esber Yagmurdereli (50) gevangen zat, zwierf hij door heel Turkije. Hij verbleef in dertien verschillende huizen van bewaring. Na een langdurig proces van acht jaar werd hij aanvankelijk ter dood veroordeeld voor het opzetten van een illegale linkse organisatie. Zijn straf werd omgezet in levenslang. Yagmurdereli werd in de jaren tachtig door de internationale mensenrechtenorganisatie Amnesty International geadopteerd. De blinde advocaat groeide uit tot een symbool van het systematisch schenden van de mensenrechten, de beperkte vrijheid van meningsuiting en de gebrekkige democratie in Turkije. Om van hem af te komen, drongen de Turkse autoriteiten er op aan dat hij op grond van zijn handicap een verzoek tot vervroegde vrijlating zou indienen bij de president. Yagmurdereli weigerde. In 1991 kwam hij na een wijziging in de anti-terreurwet alsnog vrij.

Sindsdien verdient Yagmurdereli, die op elfjarige leeftijd blind werd, weer als advocaat zijn brood. Maar de kans is groot dat hij binnenkort opnieuw voor langere tijd achter de tralies verdwijnt. Hij is tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld voor een speech die hij vorig jaar hield op een bijeenkomst van de vereniging voor de rechten van de mens in Istanbul. Als de Hoge Raad dat vonnis volgende maand bekrachtigt, wordt daar het resterende deel van zijn oude straf, 22 jaar, bijgevoegd.

De blinde advocaat speelde een cruciale rol in de afloop van de hongerstaking. Pas na bemiddeling van linkse intellectuelen als Yagmurdereli, de internationaal bekende schrijver Yasar Kemal en de zanger-componist Zülfü Livaneli, kwam de Turkse regering, aangevoerd door de moslim-fundamentalistische Welvaartspartij, zaterdagnacht tot een vergelijk met de actievoerders.

Yagmurdereli: “Alles wees er op dat de Bayrampasa-gevangenis in Istanbul van waaruit de hongerstaking werd gecoördineerd, die nacht zou worden bestormd. Rondom de strafinrichting waren al barricaden opgeworpen. De minister van justitie, Sevket Kazan, liet er geen twijfel over bestaan dat hij, ondanks de tientallen doden die dat zou kosten, met geweld zou ingrijpen als de hongerstakers hun protest niet vrijwillig beëindigden. Rond het middaguur ging ik naar de Bayrampasa-gevangenis om met de hongerstakers te praten. Mijn angst was dat het niet bij een overval op de gevangenis zou blijven. De woede daarover zou ook leiden tot bloedvergieten in de linkse woonwijken in Istanbul, waar jongeren massaal in verzet zouden zijn gekomen tegen de dood van hun kameraden in de gevangenis. De opstand vorig jaar maart in de door alevieten, de niet-orthodoxe, vaak links geörienteerde shi'ieten, bewoonde Gazi-wijk en de drie doden gedurende de 1 mei-viering in Istanbul, hebben duidelijk gemaakt dat er weinig nodig is om de haat tegen het gevestigde gezag te doen ontvlammen.”

Het bemiddelingsteam moet ook toezien op de naleving van de door de Turkse regering gedane toezeggingen aan de politieke gevangenen. “Dat was een voorwaarde om met de actie te stoppen”, aldus Yagmurdereli. “Tot nu toe hebben hongerstakingen slechts tijdelijk tot een verbetering van de levensomstandigheden in de Turkse huizen van bewaring geleid. Het is nu mede de verantwoordelijkheid van de linkse intellectuelen in Turkije om te bereiken dat het deze keer wel tot structurele veranderingen komt.”

Werkloosheid

Inderdaad is de hongerstaking geen incident, zegt Ömer Laciner, hoofdredacteur van Birikim, een links maandblad voor intellectuelen. “Vooral het THKP-C heeft zich in de afgelopen jaren ontpopt als de spreekbuis van een groeiend aantal jongeren in de steden, die zich buitengesloten voelen. Aan de ene kant zie je dat de moslim-fundamentalistische Welvaartspartij met zijn streven naar adil duzen, gerechtigheid, erin is geslaagd dat gevoel van vervreemding onder een deel van de jongeren weg te nemen. Maar de jongeren met linkse sympathieën merken dat ze ondanks hun universitaire opleiding, nog steeds weinig kansen hebben op een beter leven dan hun ouders. De werkloosheid, ook onder de beter opgeleiden, groeit. Om lucht te geven aan hun wrok sluiten ze zich aan bij de meer radicale, vaak illegale organisaties, waarvan een deel de gewapende strijd niet schuwt.”

Laciner komt zelf voort uit de linkse beweging, die in de jaren zestig aan de Turkse universiteiten ontstond. Het maandblad Birikim werd in 1975 opgericht en haalde een oplage van meer dan zestigduizend. Na de militaire staatsgreep in 1980 verscheen het blad negen jaar niet, maar in 1989 kwam het weer uit. De oplage schommelt nu tussen slechts de 4.000 en 4.500 exemplaren.

De socialistische en communistische beweging in Turkije valt uiteen in talloze groeperingen. De Turkse Communistische Partij, TKP, is de oudste partij, met allerlei vertakkingen en ideologische afsplitsingen in de jaren zestig en zeventig. Tijdens de militaire staatsgreep in 1980 verdwenen de meeste linkse activisten in de gevangenis of vluchtten naar het buitenland, waar een deel van hen politiek asiel aanvroeg. Anderen, zoals Laciner, keerden na een verblijf van acht jaar in het buitenland naar Turkije terug. Intussen bleef het socialistische vuur in Turkije zelf smeulen, volgens Laciner vooral door de opleving van de gewapende Koerdische strijd in 1984. “Het succes van de PKK fungeerde als een voorbeeld voor extreem-linkse illegale groeperingen.”

De socialistische en communistische beweging in Turkije kent nu zowel een aantal officiële, maar kleine politieke partijen, als een scala aan illegale (splinter)organisaties. Aan de hongerstaking in de gevangenissen namen volgens ingewijden negen groeperingen deel, waaronder de DHKP-C, de marxistisch-leninistisch georiënteerde Communistische Partij en de Turkse Revolutionaire Communistische Unie. Laciner schat hun aanhang bij elkaar op niet meer dan zeshonderd - gewapende - leden, maar dan zijn er nog de vele tienduizenden sympathisanten. Alleen al het radicale weekblad Kurtulus van de DHKP-C heeft in Turkije een oplage van veertienduizend exemplaren en krijgt binnenkort ook een Europese editie.

Kurtulus beschikt sinds kort over een ruim redactielokaal in Sultanamet, het oude deel van Istanbul. De eerste bloedvlekken zitten al weer op het behang. Drie dagen voor het einde van de hongerstaking deed de anti-terreur brigade van de Turkse politie een inval in de redactielokalen. De achttien redacteuren barricadeerden de toegangen en boden urenlang weerstand. Ze werden ingerekend en zes dagen lang vastgehouden. “We fungeerden zo'n beetje als het centrum van de nieuwsvoorziening over de hongerstaking onder de politieke gevangenen”, aldus Banu Güldenoglu, een van de journalisten. “Ook de populaire kranten en een aantal televisiekanalen belden ons regelmatig op voor de laatste stand van zaken. Dat moet de staat uitermate hebben geïrriteerd, met als gevolg dat ze ons opnieuw de mond snoerden.”

Volkslied

De heropleving van illegale linkse organisaties lijkt de Turkse staat steeds meer zorgen te baren. De belangrijkste ervan, de DHKP-C, wordt verantwoordelijk gehouden voor de moord in januari op de broer van Sakip Sabanci, een van de rijkste zakenmensen in Turkije, in het zwaar bewaakte kantorencomplex van de familieholding in Istanbul. De daders zijn nog steeds niet gepakt. Bovendien blijven de activisten zich ook in de gevangenis tegen de Turkse staat verzetten. Om de weerstand te breken grijpt het leger soms gewelddadig in in de strafinrichtingen, zoals bij de opstand in de Ümraniye-gevangenis in Istanbul rond de jaarwisseling. Hierbij vielen drie doden onder de politieke gevangenen. Er wordt beweerd dat de hoofden van de slachtoffers totaal verbrijzeld waren.

De politieke gevangenen worden hierdoor in hun opvatting gesterkt dat de staat hen het liefst dood ziet en dat ze zelfs in de gevangenis niet veilig zijn. Dat is de belangrijkste reden waarom politieke activisten er op staan om in groepscellen te worden ondergebracht en niet in kleine cellen zoals in de omstreden moderne Eskisehir-gevangenis. Deze strafinrichting met zijn een-, vier-, zes- en achtpersoonscellen - heeft als bijnaam 'de doodskist'. De politieke gevangenen in Turkije weigeren hier te worden opgesloten: niet alleen zijn ze gewend in groepsverband te leven, bovendien vrezen ze dat kleine groepen eerder het slachtoffer zijn van repressie. Een cellenblok met veertig à vijftig gevangenen kan zich verenigen en daardoor de macht van de gevangenisautoriteiten trotseren. “Na de militaire staatsgreep werden politieke gevangenen bijvoorbeeld gedwongen om het volkslied te zingen als ze naar de wc wilden”, herinnert Yagmurdereli zich.

De 22-jarige Aynur Cihan, medewerkster van het tijdschrift Tavir van het Centrum voor Anatolische volkskunst en cultuur in Istanbul, werd op de derde dag van de hongerstaking na een verblijf van een jaar uit de Bayrampasa-gevangenis ontslagen. Dat jaar was alleen voorarrest; tot een veroordeling is het nog niet gekomen. Ze wordt ervan beschuldigd lid te zijn van DHKP-C. “Voor alles moet je vechten in de gevangenis. Ik heb een maagzweer, maar in alle maanden dat ik in Bayrampasa heb doorgebracht, is het me niet gelukt om een röntgenfoto te laten maken. De medische voorzieningen zijn ronduit slecht. Gevangenen worden vrijwel nooit naar een ziekenhuis gebracht, zelfs niet bij ernstige klachten.”

Faxen en pistolen

Aynur leefde in een cellenblok met gemiddeld veertig tot vijftig andere vrouwelijke politieke gevangenen. “De slaapzaal was volgepropt met stapelbedden die bijna tegen elkaar aan stonden. Er waren maar twee of drie kastjes voor onze kleren en andere bezittingen. We losten dat op met manden die we onder de bedden zetten. Verder beschikten we over een eetkeuken, waar we de dag doorbrachten. We moesten zelf voor ons eten zorgen. Soms kochten de bewakers groenten en andere etenswaren voor ons in, voor de rest moesten we het doen met wat de bezoekers voor ons meebrachten.” Aynur herinnert zich vooral de kou in de winter. “Slechts drie weken heeft de kachel gebrand, en nog wel in het voorjaar. In de zomer was er gebrek aan water. Soms kwam er dagenlang geen druppel uit de kraan.”

De problemen doen zich vooral voor in grote gevangenissen als Bayrampasa en Ümraniye in Istanbul en Buca in Izmir aan de Westkust, waar honderden politieke gevangenen bijeen zitten. Volgens Metin Narin van het Volks advocatenbureau in Istanbul, die veel activisten van het DHKP-C verdedigt, zitten er in Bayrampasa nu ruim achthonderd politieke gevangen, meerendeels van het DHKP-C. Turkse autoriteiten beweren dat juist deze drie gevangenissen zijn verworden tot opleidingscentrum voor terroristen. Om de macht van de illegale organisaties te breken werd een deel van de politieke gevangenen in deze drie strafinrichtingen door Mehmet Agar, oud-hoofd van de politie en voormalig minister van justitie, naar andere gevangenissen overgeplaatst, waaronder die in Eskisehir. De decreten die hij in mei uitvaardigde waren de aanleiding tot de hongerstaking. “Het is begrijpelijk”, zegt Esber Yagmurdereli, “dat de politieke gevangenen hiertegen in opstand kwamen. Ze worden van een fundamenteel recht op verdediging beroofd omdat hun advocaten gezien de grote afstanden nauwelijks in staat zijn om hen regelmatig te bezoeken. Een andere probleem is het vervoer van de politieke gevangenen naar de rechtzaal. De gevangenissen in de steden beschikken nauwelijks over genoeg gepantserde bussen om dat vervoer te regelen, laat staan dat er dergelijke faciliteiten in de provincie zijn.”

De huidige minister van justitie, de religieus-fundamentalist Kazan, volgde de harde lijn van Agar met zijn bewering dat de politieke gevangenen niet alleen over mobiele telefoons en faxen beschikken, waardoor ze gezamenlijke gewapende acties kunnen voorbereiden met hun kameraden buiten de strafinrichtingen, maar dat ze zelfs in het bezit zijn van wapens. Daardoor zouden de bewakers de laatste zes maanden de cellen van de politieke gevangenen in de Bayrampasa niet meer hebben kunnen doorzoeken. “Onzin”, zegt advocaat en bemiddelaar Yagmurdereli fel. “Tijdens mijn onderhandelingen met de hongerstakers was ook hoofdofficier van justitie Ferzan Çitici aanwezig, die vertelde dat de cellen tijdens de laatste tien dagen van de hongerstaking twee keer waren geïnspecteerd, terwijl dat gewoonlijk één keer per twee weken gebeurt. Het probleem van wapenbezit speelt juist onder de criminele gevangenen, die voor grote sommen geld in staat zijn de bewakers en de gevangenisleiding om te kopen.”

Hoofdredacteur Laciner van het blad Birikim onderkent dat de hongerstakers wel degelijk politieke motieven hadden. “De twaalf slachtoffers worden nu als martelaren gezien, wat het aureool van de illegale linkse organisaties versterkt. En de doden zelf hebben naam gemaakt.”

Laciner is niet optimistisch over de toekomst van Turkije. Hij voorspelt dat de radicalisering onder linkse jongeren verder zal toenemen. “De gewelddadige 1 mei-viering in Istanbul was daarvan een duidelijk signaal. Zeker vijfhonderd aanhangers van de DHKP-C namen in uniformen en met hun partijvlag aan die bijeenkomst deel. Iedereen in Turkije weet dat de deelnemers door de politie worden gefilmd. Voor mijn gevoel brachten ze hiermee de boodschap dat ze net als de Koerdische PKK in staat zijn om genoeg jongeren voor de gewapende strijd te mobiliseren. Het zal me dan ook niet verwonderen als het in de komende maanden tot massale gevechten komt van aanhangers van linkse groeperingen met politie en leger.”