Het grootstedelijke beschavingsatelier

Een dezer dagen zag ik een ongewoon beeld op het Damrak in Amsterdam. Daar liep een oudere, redelijk slanke man in een donker flanel pak met een ingetogen das op een licht, fijngestreept overhemd. Daarboven droeg hij een, wat je noemt, aristocratische kop.

Niet zo'n filmsterrengezicht met poedergrijze slapen à la John Forsyth in zijn aanstekelijke rol van 'governor' in The Powers that be. Nee, deze kop was taniger en het haar dunner en eerder van onbestemde kleur dan voluit grijs. Hij had ook een opvallend innemend gezicht, dat was een aangename bijkomstigheid maar niet de reden waarom ik door hem werd getroffen.

De man viel op door zijn gesoigneerde verschijning. Een wandelende man in een pak met een das, in de Amsterdamse binnenstad, en zeker op het Damrak, is een zeldzaamheid. Hij werd dan ook door de omstanders en de hier altijd voortslenterende menigte bekeken als een wezen van een andere planeet.

Natuurlijk zijn zomerseizoen en vakantietijd er de oorzaak van dat de pakdragende man zo'n indruk maakte. Door de kwakkelige temperatuur en de voortdurend dreigende buiigheid durven de vakantiegangers de sprong naar de kust niet te wagen, dus blijft men in de stad hangen. Dat verklaart de aanwezigheid van de grote hoeveelheid anderssoortig uitgedoste omstanders en slenteraars tegenover die ene pakdragende man. Het Damrak zag bij wijze van spreken zwart van korte broeken - ongeacht de temperatuur, het is vakantie - T-shirts, blote navelhesjes, truien om het middel, topjes, ceintuurs met gordeltasjes, kortom zwart van het uniform dat in de zomer niet alleen de kustplaatsen beheerst maar ook de binnenstad van Amsterdam.

In zijn onlangs verschenen boek Stad betoogt de Amsterdamse socioloog Lodewijk Brunt, onder heel veel meer, dat het stedelijk openbare domein valt op te vatten als een 'beschavingsatelier'. Hij schrijft: “Wie deze ruimte betreedt leert zich te beheersen en aan te passen en krijgt lessen in stedelijke omgangsvormen. ” Voor veel bezoekers van Amsterdam is het Damrak de toegangspoort tot de stad. Zij komen uit het Centraal Station en worden automatisch in de richting van deze brede boulevard geleid. Over het Damrak wordt het beschavingsatelier binnengegaan.

Het Victoria Hotel, de Beurs van Berlage en de Bijenkorf zijn de monumentale gebouwen die het openbaar domein van het Damrak markeren. Wanneer je uit Atlanta komt, of uit Meppel en je ziet de ruimte die door deze bouwwerken wordt omsloten, dan ontstaat de indruk dat je in een historische, Europese stad bent beland. Maar wanneer je verder loopt, richting Paleis op de Dam, word je aan de rechterkant blootgesteld aan een aaneenschakeling van uit bordkarton opgetrokken eethuizen, scheefgetimmerde terrassen, souvenirswinkeltjes, toeristenvalkuilen, allegaartjes-kiosken en een kneuterig seksmuseum. De stad is hier tot aan de eerste verdieping onzichtbaar gemaakt en onder deze horizon heerst luidkeels en oogverblindend de commerciële potpourri. Stedelijke omgangsvormen worden ons voor een belangrijk deel bijgebracht door de architectuur en door de vormgeving van de openbare ruimte. Vooral wat het laatste betreft is het beschavingsatelier 'Damrak' van een miserabel allooi. Het is eerder het 'atelier' van een goedkope badplaats dan van een stad die een zorgvuldige inrichting van de openbare ruimte ter harte gaat. Een badplaats-boulevard trekt badgasten, vandaar dat de gedistingeerde man zo'n verdoolde indruk maakte. Laat de gemeente na het Spui, dat heel mooi is geworden, het Damrak aanpakken en daarbij wurgend strenge bepalingen maken hoe de commercie zich dient te gedragen.