Gemengde protesten

EWALD VANVUGT: Nestbevuilers. 400 jaar Nederlandse critici van het koloniale bewind in de Oost en de West

223 blz., geïll., Babylon-De Geus 1996, ƒ 34,50

Onder het koloniaal bestuur golden andere normen dan binnen de Nederlandse grenzen. Gezag en gewin steunden op arbeidsdwang en militaire onderdrukking in een mate die in het vaderland onaanvaardbaar was. Wie zijn stem daartegen verhief, kon rekenen op bot onbegrip en repressie. Koloniale critici werden opgesloten, verbannen of in het beste geval genegeerd. Volgens Ewald Vanvugt zijn ze ook nog eens stelselmatig doodgezwegen door de gezeten historici.

Toch blijkt er een boek te kunnen worden gevuld met protestgeluiden tegen de Nederlandse koloniale overheersing in Azië en Amerika. Drieënvijftig portretten bevat Nestbevuilers: vijftien uit het tijdperk van de compagnieën, vijftien uit de negentiende eeuw en drieëntwintig uit de twintigste eeuw. Aan elke schrijver zijn een paar bladzijden gewijd, die in kort bestek de kritische faits et gestes van de persoon behandelen en een overzicht geven van de misstanden waartegen hij of zij fulmineerde. Eén Spanjaard, twee vrouwen, vier kamerleden, een klein heilsleger van predikanten en publicisten, en een paar historici die wèl gezond verstand hadden, trekken voorbij. Het geheel vormt een bonte en boeiende verzameling van wereldverbeteraars, die tegen de onverschilligheid van het Nederlandse publiek en de censuur van het koloniale bestuur in hun verontwaardiging verkondigden.

Uitwassen

De grote namen ontbreken niet, zoals Multatuli, Jacob Haafner en Dirk van Hogendorp. Hun daden zijn algemeen bekend, en hun levens te geschakeerd om in enkele bladzijden te vangen. Aardig wordt het, wanneer minder bekende figuren passeren: de Brabantse missionaris Peerke Donders, sinds kort zalig, die in Suriname onder de leprozen werkte. Hij schreef “O, had men hier zoveel zorg voor het behoud en het welzijn der slaven als men in Europa voor de lastdieren heeft, dan zou het er beter uitzien”, maar afwijzen deed hij de Nederlandse aanwezigheid niet. Geregeld trok hij met een klein harmonium het oerwoud in om de Indianen te bekeren. Of W.A. van Oorschot, die onder het pseudoniem 'Wekker' in 1907 fulmineerde tegen de gewelddadigheden in Atjeh, die hij overigens weet aan de onderbemanning van het Nederlands-Indische leger.

Verrassend is ook de aanwezigheid van Aletta Jacobs, die op haar wereldreis Indië aandeed en werd geschokt door de staatsopiumhandel en de kinderarbeid. Helder verwoordde zij de normverschillen tussen het vaderland en de koloniën: “Met bevreemding vernam ik dat onze wetten [in Nederland], die kinderarbeid beneden de twaalfjarige leeftijd verbieden, voor Indië niet gelden”.

De varianten van protest waren legio. In de periode voor 1800 bestaat maar weinig werkelijk fundamentele kritiek op het kolonialisme. Men richt zich tegen bepaalde uitwassen als de wrede behandeling van de Westindische en Surinaamse slaven, piraterij of de massamoord op de Chinezen in Batavia in 1740. Naarmate de tijd vordert, groeit het aantal kritische stemmen. De Verlichting laat zijn sporen na en vormt het werkelijke begin van een kritische traditie. In enkele gevallen gaat dit gepaard met een romantisering van de niet-Europese volken, maar ook met een stijgend verantwoordelijkheidsgevoel voor de verheffing van de primitieve inlanders.

In de negentiende eeuw worden toon en onderwerp van de protesten beïnvloed door de opkomst van missie en zending, de gewelddadigheden van de Pax Neerlandica, en het socialisme. Na de afschaffing van de slavernij wordt het nagenoeg stil rondom de Surinaamse kolonie. In Nederlands-Indië richten de pijlen zich op de opiumregie, de oorlogsmisdaden in de buitengewesten en de armoede onder de bevolking. Vreemd genoeg blijven voorstanders van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd zo goed als buiten beeld, met uitzondering van Henk van Randwijk en Poncke Princen. Na 1950 worden de koloniale vraagstukken het domein van de historici, en de discussies belanden daarmee in een geheel ander vaarwater - of doofpot, zo men wil.

Hoe interessant de verzameling ook is, er is veel af te dingen op de selectie van de 'nestbevuilers'. Waarom is de Surinaamse activist Anton de Kom in het pantheon opgenomen, maar de Indonesische voorvechter voor onafhanklijkheid Sutan Sjahrir niet? Waarom wel Joop Hueting, weliswaar oorlogsmisdadiger in de strijd tegen de Indonesische Republikeinen maar ook een van de eersten die zijn schuld publiekelijk beleed, doch niet Cees Fasseur, door sommigen als exponent van het vergoelijkende geschiedbeeld beschouwd, maar tevens auteur van de Excessennota uit 1969? Merkwaardiger is de afwezigheid van Jacques de Kadt, Tweede-Kamerlid voor de Partij van de Arbeid en radicaal publicist voor de Indonesische onafhankelijkheid.

Ook over de wel opgenomen portretten is discussie mogelijk. Met name tussen de vroege bevuilers zitten nogal wat nestbouwers. Wat doet Jacob Mossel in deze galerij van critici? Was hij niet de eerste directeur van de Amphioen-Sociëteit, waarmee de Compagnie zijn beurzen spekte ten koste van de verslaving van zovele Javaanse drommels? Even eigenaardig is de aanwezigheid van Jean-Chrétien Baud, die als gouverneur-generaal en later minister van koloniën vorm gaf aan het Cultuurstelsel op Java. Aan het eind van de negentiende eeuw figureert de islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje, een groot geleerde, maar helaas vormde hij met kolonel Van Heutsz een sterke wetenschappelijk-militaire tandem, die de verovering van Atjeh verwezenlijkte.

Opportunisme

De ironie is dat slechts weinig critici zelf geheel vrij van blaam zijn - als men met terugwerkende kracht van blaam wil spreken. Velen onder hen waren belanghebbend. Dirk van Hogendorps veroordeling van de slavernij en de uitbuiting van Javanen was niet verstoken van opportunisme en belette hem niet op Oost-Java kapitalen te verdienen. Conrad van Deventer, initiator van de 'ethische' richting, betoogde in 1905 dat militair ingrijpen niet een uiting van militarisme, maar 'een historische noodzakelijkheid' was. Daarmee is het koloniale dilemma in volle contouren geschetst. Zorg en bevoogding, verheffing en uitbuiting: de overgang is op zijn zachtst gezegd vloeiend. Wie werkelijk principieel was, vertrok - een optie die echter pas reëel werd toen de onafhankelijkheid in het verschiet lag. E. du Perron keerde in 1939 naar Nederland terug. Om hier overtuigd 'aan de goede kant' te staan, zei hij, 'moet je Indonesiër zijn'. Een volkomen juist inzicht: de Nederlander in de koloniën keerde zich niet gemakkelijk, en zelden geheel tegen zijn landgenoten of het koloniale systeem.

Deze nuance is echter teveel voor Vanvugt. De portretten zijn slechts een vehikel om de koloniale misstanden nog eens aan het botte verstand van het Nederlandse volk te peuteren. Dat is op zichzelf nuttig, maar tot een degelijk historisch begrip leidt het niet. De veelzijdigheid, maar ook de tweeslachtigheid van de kritiek wordt niet expliciet gemaakt; het koloniale dilemma blijft onderbelicht. De onkritische wijze waarop de materie wordt voorgeschoteld maakt van de geschiedenis eenmaatsconfectie.

Meest storend is de toon van het eigen gelijk en de morele superioriteit, die vooral in de inleiding en in de afsluitende open brief aan koningin Beatrix de kop opsteekt. De nestbevuilers worden als getuigen à charge opgevoerd.

Hiermee ligt Nestbevuilers in het verlengde van Vanvugts Bloed aan de klomp uit 1989, 'de eerste vaderlandse schandaalkroniek' van Nederlandse schurkenstreken buiten de landsgrenzen. De gelijkenis tussen de twee boeken gaat verder dan de beschreven misdaden: vele passages zijn letterlijk overgenomen. In een andere - en geslaagder - vorm beitelt Vanvugt nu opnieuw zijn revisionistische moraal in de stenen tafelen van de geschiedenis. Daarbij bewerkt hij slechts de voorkant, maar laat de achterzijde onbenut. De nuance is niet gezocht, omdat hier strijd moest worden geleverd tegen de obscurantisten van de koloniale geschiedenis. Dat daarbij een dimensie, namelijk de historische, wordt opgeofferd, is een hoge prijs.