Een merkwaardige geschiedenis

'Jan Steen - schilder en verteller', dat is de trefzekere titel van de najaarstentoonstelling in het Rijksmuseum, die in een fraaie zestalige brochure zojuist is aangekondigd. Het Rijksmuseum verstaat de tekenen des tijds. Bij veel andere musea zou ik geneigd zijn te veronderstellen dat aan de keuze van die titel een duurbetaald marketing- of communicatie-adviseur te pas moet zijn gekomen.

In dit geval zou het wel eens anders kunnen liggen. Collega Van Os heeft immers nooit twijfel laten bestaan over zijn opvattingen over de narratieve taak van het museum - en zijn unieke talent in deze kon al evenmin verborgen blijven, hetgeen, zoals bekend, tot een hoogst eervolle academische aanstelling als nationaal verhalenverteller heeft geleid.

De zucht tot vertellen en de hang naar verhalen is ons mensen welhaast aangeboren. Zoals met veel andere plezierige driften het geval is, is ook deze passie echter in de loop van het beschavingsproces object van beheersing en zelfbeheersing geworden. De geletterde of anderszins gecultiveerde elite heeft bovenal geleerd ratio boven narratio te stellen. Aan spannende verhalen, die per definitie natuurlijk altijd vervolgverhalen zijn, kan alleen het gewone volk zich nog met goed fatsoen overgeven. Gestudeerde mannen houden nog steeds niet van Dallas - behalve als ze er stiekem gek op zijn. (zie: Ien Ang, Het geval Dallas, Amsterdam 1982) Met de waardering voor verhalen is het kortom een beetje vreemd gesteld.

Commissies die moeten oordelen over de aankoop van beeldende kunst hebben tal van nauwelijks grijpbare criteria ter beschikking, op basis waarvan desalniettemin veelal - en naar eer en geweten - een opmerkelijk soepele consensus wordt bereikt. Het allerergste wat een kunstenaar kan overkomen is wanneer zijn werk 'literair' of erger nog 'anekdotisch' wordt genoemd; je kunt nog beter epigoon of desnoods vervalser worden. Overigens gaat het hier bepaald niet om een recent fenomeen, hetgeen duidelijk blijkt uit de waardering die de genre-schilderkunst al lange tijd geniet: een hoge mate van populariteit gaat onveranderlijk met een lage kunsthistorische status gepaard. De keuze voor Jan Steen door ons nationale museum is dan ook opmerkelijk, een teken aan de wand.

Het verhaal beleeft een onmiskenbare comeback, opvallend genoeg juist nu de tijd van de 'grote verhalen' - die van godsdienst, wetenschap en ideologie - definitief verleden lijkt. Het postmodernisme, met zijn irritant-betweterige neiging alle verhalen tot verhaaltjes terug te brengen, heeft slechts een even geleerde als impotente armoe te bieden. Perspectief, desnoods in de vorm van een werkelijke scepsis (in plaats van die verbeten deconstructie-drang) biedt het in elk geval niet.

Mensen willen de waarheid weten en niet iedereen is in staat of bereid die van dolfijnen te vernemen. Mensen zoeken richting, houvast, troost; ze willen hoe dan ook een perspectief op de merkwaardige geschiedenis die hun leven is. Die werkelijkheid is wérkelijk een verhaal - ten bewijze daarvan, zie Voskuils Het Bureau - en ze krijgt alleen als verhaal betekenis. De waarheid waar mensen voor hun dagelijks leven naar op zoek zijn laat zich kortom alleen als verhaal vertellen.

Historische musea bewaren het materiële culturele erfgoed dat getuigt van onze collectieve biografie. Die materiële objecten spreken niet vanzelf; musea moeten met die objecten een verhaal, hun verhaal, hun geschiedenis vertellen. Nu eens groots en meeslepend, dan weer klein en intiem, maar altijd 'waerachtig ende waer'.

Musea kunnen zich niet verschansen achter de illusie dat objecten zelf de geschiedenis representeren en evenmin mogen ze zich verschuilen achter een comfortabel relativisme. Musea horen naar beste kunnen de waarheid te vertellen. Een museum dat dat niet, met volle inzet, wil, is gewoon een lui museum.

Veel pezier in het Rijksmuseum.