Een Amerikaanse d'Artagnan; Douglas MacArthur (1880-1964)

GEOFFREY PERRET: Old soldiers never die. The life of Douglas MacArthur

663 blz., geïll., Random House 1996, ƒ 65,55

Eenlingen bepalen de geschiedenis. Douglas MacArthur (1880-1964) werd vanaf zijn jeugd door dit negentiende-eeuwse geloof bezield en zou er levenslang aan vasthouden. Zijn voorbeelden waren Napoleon en George Washington, maar de man met wie hij zich compleet vereenzelvigde was zijn vader, Arthur MacArthur. Deze was een beroepsmilitair van Schotse afkomst, verdiende zijn sporen in de Burgeroorlog, streed aan de frontier tegen de indianen en bedwong in de Filippijnen, de nieuwe Amerikaanse kolonie, omstreeks de eeuwwisseling zogeheten opstandelingen. Douglas studeerde intussen op West Point, slaagde met vlag en wimpel en werd door zijn moeder op een voetstuk gezet. Als je een moeder hebt die ontzettend van je houdt en die dat ook voortdurend laat merken, ga je allicht denken dat je een bijzonder wezen bent op wie heel de wereld zit te wachten. Niet alle moederskinderen zullen tot dezelfde slotsom komen, maar in de recente Amerikaanse geschiedenis komen we behalve MacArthur ook Franklin D. Roosevelt tegen, die er net zo min aan twijfelde dat de Voorzienigheid hem in samenspraak met zijn moeder tot bijzondere daden had geroepen.

Heldendaden

Doetjes waren zij geen van beiden. Roosevelt vocht heldhaftig tegen zijn polio, terwijl MacArthur zich eerder, tijdens de Eerste Wereldoorlog, had onderscheiden als commandant van de Rainbow Divisie. De kranten stonden vol van zijn heldendaden. MacArthur zag er in zijn uniform dan ook dashing uit, een echt Amerikaanse d'Artagnan. Het was het begin van een loopbaan die heel wat biografen in dikke boeken hebben vastgelegd. MacArthur zou er niet verbaasd over zijn: hij was naar eigen inschatting een figuur van wereldhistorische betekenis en had de geschiedschrijvers daarom aan zich verplicht. Volgens zijn jongste biograaf Geoffrey Perret was de generaal nooit bijzonder geïnteresseerd in wat journalisten en historici over hem te melden hadden. Maar net als andere grote (en de meeste kleine) mannen kon hij kritiek heel slecht verdragen. Humor had hij volgens zijn biografen wel degelijk, zelfspot weer niet. En hoe kan het ook anders? Met zelfspot word je geen man met een missie.

In het interbellum stond MacArthurs missie voornamelijk in het teken van de strijd tegen de geweldige bezuinigingen waar de Amerikaanse strijdkrachten door werden getroffen. Zowel Republikeinen als Democraten wensten het mes in het leger te zetten. Als stafchef spartelde MacArthur manhaftig tegen en hij kritiseerde bovendien het alom heersende pacifisme en isolationisme. Men scheen niet naar hem te willen luisteren, de geschiedenis werd door mindere goden gemaakt. Halverwege de jaren dertig vertrok hij ontgoocheld (samen met zijn bejaarde moeder) naar de Filippijnen om de nieuwe commonwealth te adviseren bij de opbouw van een eigen defensie. Dat hij daar de titel van veldmaarschalk kreeg was slechts schrale troost, en pas door de strijd tegen Japan in de Stille Oceaan wist hij zich te verzekeren van een vaste plaats in de historie. Een plaats die des te prominenter werd, omdat MacArthur vanaf augustus 1945 fungeerde als Supreme Commander van de geallieerde bezettingsmacht in Japan en in de beginfase van de Koreaanse oorlog nieuwe lauweren oogstte. Zij werden hem weer afgerukt, toen zijn troepen na overschrijding van de 38ste breedtegraad plotseling oog in oog kwamen te staan met Chinese 'vrijwilligers', al had de inmiddels zeventigjarige generaal het Witte Huis steeds bezworen dat er van de Volksrepubliek weinig te duchten viel. Het daarop volgende conflict met president Truman over de te volgen strategie leidde in april 1951 tot MacArthurs dramatische val.

Voor gevorderden is dit verhaal - in 1977 verfilmd met Gregory Peck in de hoofdrol - bekende kost. De biograaf moet de gebeurtenissen dus zo zien te schikken dat we ons opnieuw verbazen over de fantastische verantwoordelijkheden die onze romantische held vooral tussen 1941 en 1951 te dragen had en waarop zijn eerste zestig jaren als het ware de dikwijls frustrerende prelude waren. Perret slaagt hier ten dele in, door de generaal nu eens van zijn voetstuk te halen om hem er vervolgens weer vlug op terug te zetten, en juist dat maakt zijn boek spannend.

Broer Arthur

De eerste die Douglas de hemel in prees was, zoals gezegd, zijn moeder - mevrouw MacArthur, ook wel bekend als Pinky, die elke beweging van haar zoon nauwgezet volgde, elk speeltje van hem bewaarde en elk woord uit zijn mond beschouwde als het mooiste ooit gesproken. Perret ziet het als zijn taak de gedachte te bestrijden dat hier sprake was van excessieve moederliefde. Volgens hem werden destijds nagenoeg alle Amerikaanse jongens uit beschaafde kring door mama in de watten gelegd en leed zowat heel mannelijk Amerika aan mummitis. Het ligt er natuurlijk maar aan wat je gewend bent. Pinky was zo bezeten van Douglas dat je bijna zou vergeten dat er nog een oudere broer was. Net als zijn vader heette deze Arthur en ook hij zou het uniform aantrekken, zij het niet van het leger, maar van de marine. De twee broers schijnen bijzonder close te zijn geweest. Arthur was bijna even briljant als Douglas en toen hij voortijdig, in 1923, overleed had hij in de marine een grote reputatie. In vrijwel alle biografieën van MacArthur blijft Arthur echter een schimmige figuur over wie niets wezenlijks wordt medegedeeld. Zo ook bij Perret.

Des te meer krijgen we te horen over de fixatie van onze held op uniformen en onderscheidingen. MacArthur was zonder twijfel een dandy, iets wat hem toch weer vertederend maakt. Hij hield van paarse zijden dassen en van zoveel mogelijk goudbrokaat op zijn diverse petten. Wat kledij betreft weigerde hij zich aan de voorschriften te houden. Het liefst ontwierp hij zijn eigen tenue, nu eens - bijvoorbeeld als veldmaarschalk op de Filippijnen - protserig, dan weer van opzienbarende bescheidenheid. Zonder spiegels kon hij niet leven, ze stonden (manshoog) in zijn kantoor. Bekeek hij zichzelf, dan zag hij dat God niet had gefaald toen hij Douglas MacArthur schiep. Op het Amerikaanse schouwtoneel had niemand meer gevoel voor dramatiek dan de generaal. Of het moest president Franklin D. Roosevelt zijn. FDR was evengoed een eersterangsacteur die iedereen van de bühne speelde. Ooit mocht Roosevelt MacArthur 'een van de gevaarlijkste mannen in Amerika' hebben genoemd - naar aanleiding van MacArthurs hardhandige optreden tegen demonstrerende oorlogsveteranen in Washington D.C. in de zomer van 1932 - later besefte hij de generaal nodig te hebben, zoals de generaal de president nodig had om te blijven schitteren in het ware oorlogstheater.

Veel minder respect had MacArthur voor FDR's opvolger in het Witte Huis, Harry Truman - en deze gevoelens waren wederzijds. Doorsnee-Harry uit Missouri verachtte de opschepperige, zelfingenomen MacArthur, zeker toen duidelijk werd dat deze politieke ambitie had en bleef houden, tot en met 1948 toe. MacArthur vond het niet meer dan rechtvaardig dat de Amerikaanse kiezers aan hem de voorkeur zouden geven boven 'little Harry'. Maar de kiezers waren wel wijzer, met uitzondering van de rechterflank van de Republikeinse partij waar men altijd scheen te hunkeren naar nobele reactionaire ridders op het witte paard. MacArthur kwam weliswaar uit opiniepeilingen telkens naar voren als een van Amerika's 'meest bewonderde mannen', maar een generaal als president was toch heel andere koek. Voorlopig althans. Er is iets te zeggen voor de stelling dat MacArthur de weg naar het Witte Huis effende voor die andere generaal, Dwight Eisenhower, nota bene MacArthurs voormalige ondergeschikte. Toen Truman zich in 1951 gedwongen zag MacArthur in Korea van al zijn taken te ontheffen, stond heel Amerika op z'n kop. De ontslagen generaal werd na zijn terugkeer naar de Verenigde Staten als een held verwelkomd. De ticker-tape parade die men hem in New York bereidde was in haar omvang nog nooit vertoond, en de toespraak die MacArthur voor het verzamelde Congres afstak - 'Old soldiers never die, they just fade away' - roerde bijna iedereen tot tranen, de spreker incluis. Heel even leek het erop dat het Amerikaanse volk MacArthur eindelijk het presidentschap zou gunnen, maar door de lange hoorzittingen die de Senaat over oorzaak en achtergronden van het ontslag van de generaal, ebde de geestdrift langzaam weg. Desondanks liep Truman blijvend schade op door de Koreaanse frustraties, met als gevolg dat de Democraten een jaar later geen schijn van kans hadden in de verkiezingen. Tegen de gematigde Eisenhower bestond nu eenmaal aanzienlijk minder verdenking dan tegen MacArthur, de man wiens lijfspreuk luidde: 'There's no substitute for victory'. Zoals Perret zegt, soms dienen zelfs generaals te beseffen dat het behalen van de overwinning politiek onmogelijk is.

Japan

In zijn boek blijft Perret tamelijk nuchter en laat hij zich niet door de generaal in de luren leggen. Het kan natuurlijk nooit kwaad om je tegen je voorgangers af te zetten - Perret doet dat tegen William Manchesters biografie American Ceasar. Volgens hem zou Manchester te vaak de standpunten van MacArthur hebben overgenomen zoals die door de generaal zijn vastgelegd in diens gedenkschriften. Geen enkele biograaf heeft de wijsheid in pacht, iedereen legt zijn eigen accenten en het bestaan van een 'definitieve' biografie over wie ook moet ten stelligste worden ontkend. Perret voegt weer iets toe aan al hetgeen we reeds van MacArthur wisten, of beter gezegd: hij laat hem in zijn boek anders acteren dan wij gewend zijn. Een volgende biograaf zou weer dieper kunnen ingaan op - om een voorbeeld te noemen - de lange periode waarin de generaal onderkoning van Japan was. De Amerikaanse bezetting van Japan behoort tot de boeiendste episoden uit de moderne geschiedenis, en als ergens het belang van het individu in de geschiedenis wordt bewezen dan wel daar en toen, door MacArthur. Perret probeert deze stelling in twee hoofdstukken te ondergraven, maar spreekt zichzelf telkens tegen. Wel heel gemakkelijk stapt hij heen over de talrijke hervormingen die de (bijna) almachtige MacArthur aan volk en regering van Japan oplegde.

Terwijl MacArthurs optreden in de oorlog in de Pacific uitvoerig wordt beschreven en geanalyseerd, blijft dat in Japan en Korea nogal schetsmatig alsof Perret zijn kruit in het middendeel van zijn boek heeft verschoten. Een prozaïscher verklaring zou kunnen zijn dat de biograaf van zijn uitgever precies zeshonderd bladzijden (exclusief noten) kreeg toebedeeld. Dit leverde een verhelderende en soms vermakelijke biografie op. Zelfs wie zich al jaren de ongebruikelijke vraag stelt of de legendarische generaal impotent was, komt aan zijn trekken. In bed blijkt de MacArthur van Geoffrey Perret de liefde te bedrijven als een gewoon soldaat.

    • A. Lammers